| Woord | Synoniem |
| inademen | ademhalen (werkwoord) ruiken (werkwoord) ademen (werkwoord) inhaleren (werkwoord) |
| inademing | inspiratie (zelfst. naamw.) inhalatie (zelfst. naamw.) ademtocht (zelfst. naamw.) ademhaling (zelfst. naamw.) adem (zelfst. naamw.) |
| inadequaat | ongeschikt (overig.) |
| inauguratie | installatie (zelfst. naamw.) inwijding (zelfst. naamw.) wijdingsdienst (zelfst. naamw.) inzegeningsplechtigheid (zelfst. naamw.) inzegening (zelfst. naamw.) inwijdingsplechtigheid (zelfst. naamw.) inhuldiging (zelfst. naamw.) |
| inaugureren | inwijden (werkwoord) inhuldigen (werkwoord) |
| inbaar | opvorderbaar (overig.) opeisbaar (overig.) incasseerbaar (overig.) |
| inbakeren | opwinden (werkwoord) oprollen (werkwoord) opheffen (werkwoord) omwikkelen (werkwoord) liquideren (werkwoord) inzwachtelen (werkwoord) baken (werkwoord) afwikkelen (werkwoord) inwikkelen (werkwoord) |
| inbalsemen | balsemen (overig.) |
| inbeelden | voorstellen (werkwoord) |
| inbeelding | arrogantie (zelfst. naamw.) hoogmoed (zelfst. naamw.) illusie (zelfst. naamw.) waanidee (zelfst. naamw.) zelfverheffing (zelfst. naamw.) verwaandheid (zelfst. naamw.) aanmatiging (zelfst. naamw.) schaamteloosheid (zelfst. naamw.) onwelgevoegelijkheid (zelfst. naamw.) onkiesheid (zelfst. naamw.) onbeschoftheid (zelfst. naamw.) onbeschaamdheid (zelfst. naamw.) laatdunkendheid (zelfst. naamw.) indiscretie (zelfst. naamw.) |
| inbeeldingen | verbeeldingen (overig.) hersenschimmen (overig.) |
| inbegrepen | inclusief (Bijvoeglijk naamwoord) ingesloten (bijv. naamw.) incluis (bijv. naamw.) |
| inbeslagneming | confiscatie (zelfst. naamw.) zekerheidsstelling (zelfst. naamw.) waarborging (zelfst. naamw.) vrijwaring (zelfst. naamw.) verzekering (zelfst. naamw.) vaststelling (zelfst. naamw.) beveiliging (zelfst. naamw.) |
| inbezitname | inbezitneming (overig.) |
| inbezitneming | toeëigening (werkwoord) inbezitname (werkwoord) |
| inbijten | invreten (werkwoord) |
| inbijtend | bijtend (bijv. naamw.) inwerkend (bijv. naamw.) invretend (bijv. naamw.) |
| inbinden | boekbinden (werkwoord) terugtrekken (werkwoord) binden (werkwoord) verdikken (werkwoord) inkoken (werkwoord) indikken (werkwoord) |
| inblazen | binnenblazen (werkwoord) |
| inblij | dolblij (overig.) |
| inblikken | inmaken (werkwoord) |
| inboed | huisraad (overig.) boed (overig.) |
| inboedel | huisraad (Zelfst. Naamw.) boedel (zelfst. naamw.) meubilair (zelfst. naamw.) meubels (zelfst. naamw.) ameublement (zelfst. naamw.) |
| inboeken | registreren (werkwoord) |
| inboezemen | ingeven (werkwoord) inspireren (werkwoord) |
| inboorling | autochtoon (zelfst. naamw.) inlander (zelfst. naamw.) inlan (zelfst. naamw.) ingeborene (zelfst. naamw.) |
| inborduren | borduren (overig.) |
| inborst | aard (zelfst. naamw.) geaardheid (zelfst. naamw.) gemoed (zelfst. naamw.) gemoedsgesteldheid (zelfst. naamw.) inslag (zelfst. naamw.) karakter (zelfst. naamw.) mentaliteit (zelfst. naamw.) natuur (zelfst. naamw.) temperament (zelfst. naamw.) gemoedsaard (zelfst. naamw.) |
| inborsten | geaardheden (overig.) |
| inbraak | braak (zelfst. naamw.) diefstal (zelfst. naamw.) kraak (zelfst. naamw.) heist (overig.) |
| inbraakbeveiliging | luik (zelfst. naamw.) |
| inbranden | brandmerken (werkwoord) markeren (werkwoord) branden (werkwoord) |
| inbreken | een kraak zetten (Werkwoord) kraken (werkwoord) beroven (werkwoord) |
| inbreker | dief (zelfst. naamw.) geveltoerist (zelfst. naamw.) binnendringer (zelfst. naamw.) |
| inbreng | aandeel (zelfst. naamw.) bijdrage (zelfst. naamw.) |
| inbrengen | (iets) bijdragen (Werkwoord) aanbrengen (werkwoord) bijdragen (werkwoord) invoegen (werkwoord) invoeren (werkwoord) instoppen (werkwoord) indoen (werkwoord) invoer (werkwoord) inleiding (werkwoord) |
| inbrenger | spaarder (zelfst. naamw.) |
| inbreuk | aantasting (zelfst. naamw.) schending (zelfst. naamw.) schennis (zelfst. naamw.) |
| inburgering | gewenning (zelfst. naamw.) |
| incalculeren | verdisconteren (werkwoord) |
| incapabel | onbekwaam (bijv. naamw.) ongeschikt (bijv. naamw.) incompetent (bijv. naamw.) onkundig (bijv. naamw.) |
| incarceratie | inklemming (zelfst. naamw.) |
| incarnaat | vleeskleur (overig.) inkarnaat (overig.) hoogrokleur (overig.) |
| incarnatie | belichaming (zelfst. naamw.) |
| incasseer | inner (overig.) |
| incasseerbaar | opvorderbaar (bijv. naamw.) opeisbaar (bijv. naamw.) inbaar (bijv. naamw.) |
| incasseren | innen (werkwoord) opvangen (werkwoord) |