| Woord | Synoniem |
| ingetogen | zedig (bijv. naamw.) kies (bijv. naamw.) discrete (bijv. naamw.) terughoudende (bijv. naamw.) koel (bijv. naamw.) gesloten (bijv. naamw.) gereserveerd (bijv. naamw.) geheimzinnig (bijv. naamw.) |
| ingetogenheid | bescheidenheid (zelfst. naamw.) gematigdheid (zelfst. naamw.) zedigheid (zelfst. naamw.) stemmigheid (zelfst. naamw.) matigheid (zelfst. naamw.) |
| ingeval | wanneer (overig.) indien (overig.) als (overig.) |
| ingevallen | hol (bijv. naamw.) |
| ingeven | dicteren (werkwoord) inboezemen (werkwoord) influisteren (werkwoord) suggereren (werkwoord) raden (werkwoord) adviseren (werkwoord) verstrekken (werkwoord) geven (werkwoord) souffleren (werkwoord) inspireren (werkwoord) toedienen (werkwoord) geneesmiddtoedienen (werkwoord) |
| ingeving | inval (Zelfst. Naamw.) idee (zelfst. naamw.) inspiratie (overig.) |
| ingevoegd | ingelast (bijv. naamw.) tussengeschoven (bijv. naamw.) |
| ingevoerd | geïmporteerd (bijv. naamw.) ingetoetst (bijv. naamw.) |
| ingevolge | door (bijv. naamw.) overeenkomstig (bijv. naamw.) volgens (bijv. naamw.) naar (bijv. naamw.) langs (bijv. naamw.) blijkens (bijv. naamw.) |
| ingevuld | invullen (zelfst. naamw.) |
| ingewanden | darm (zelfst. naamw.) darmen (zelfst. naamw.) pens (zelfst. naamw.) |
| ingewijd | adept (bijv. naamw.) |
| ingewijde | insider (Zelfst. Naamw.) expert (zelfst. naamw.) adept (zelfst. naamw.) insi (zelfst. naamw.) |
| ingewikkeld | gecompliceerd (Bijvoeglijk naamwoord) geleerd (bijv. naamw.) moeilijk (bijv. naamw.) ongemakkelijk (bijv. naamw.) raadselachtig (bijv. naamw.) warrig (bijv. naamw.) complex (bijv. naamw.) |
| ingewikkeldheid | gecompliceerdheid (zelfst. naamw.) probleem (zelfst. naamw.) moeilijkheid (zelfst. naamw.) |
| ingeworteld | verstokt (overig.) vastgegroeid (overig.) geworteld (overig.) |
| ingezameld | gecollecteerd (overig.) |
| ingezetene | bewoner (zelfst. naamw.) burger (zelfst. naamw.) |
| ingezien | ingekeken (bijv. naamw.) |
| ingooi | inworp (zelfst. naamw.) |
| ingrediënt | basisbestanddeel (zelfst. naamw.) bestanddeel (zelfst. naamw.) stuk (zelfst. naamw.) onderdeel (zelfst. naamw.) fractie (zelfst. naamw.) element (zelfst. naamw.) deel (zelfst. naamw.) component (zelfst. naamw.) |
| ingreep | operatie (Zelfst. Naamw.) interventie (zelfst. naamw.) tussenkomst (zelfst. naamw.) inmenging (zelfst. naamw.) |
| ingrijpen | toetasten (werkwoord) toedoen (zelfst. naamw.) tussenkomen (zelfst. naamw.) tussenbeikomen (zelfst. naamw.) interveniëren (zelfst. naamw.) interrumperen (zelfst. naamw.) interfereren (zelfst. naamw.) bemiddelen (zelfst. naamw.) toegrijpen (zelfst. naamw.) grijpen (zelfst. naamw.) aanpakken (zelfst. naamw.) |
| ingrijpend | drastisch (Bijvoeglijk naamwoord) verreikend (bijv. naamw.) verstrekkend (bijv. naamw.) radicaal (bijv. naamw.) |
| inhaalcursus | stoomcursus (zelfst. naamw.) |
| inhaken op | reageren op (Werkwoord) |
| inhakken | inhouwen (werkwoord) |
| inhalatie | inademing (overig.) ademtocht (overig.) ademhaling (overig.) adem (overig.) |
| inhalen | achterhalen (werkwoord) bijkomen (werkwoord) bijspijkeren (werkwoord) inlopen (werkwoord) intrekken (werkwoord) passeren (werkwoord) verwelkomen (werkwoord) goedmaken (werkwoord) revisie (werkwoord) voorbijrijden (werkwoord) voorbijgaan (werkwoord) |
| inhaleren | inademen (werkwoord) |
| inhalig | gierig (bijv. naamw.) gulzig (bijv. naamw.) hebberig (bijv. naamw.) hebzuchtig (bijv. naamw.) schraperig (bijv. naamw.) schriel (bijv. naamw.) vrekkig (bijv. naamw.) begerig (bijv. naamw.) krenterig (bijv. naamw.) |
| inhaligheid | schraapzucht (zelfst. naamw.) |
| inham | baai (zelfst. naamw.) bocht (zelfst. naamw.) boezem (zelfst. naamw.) insnijding (overig.) zeearm (zelfst. naamw.) |
| inhameren | instampen (overig.) |
| inhechtenisneming | arrestatie (zelfst. naamw.) gevangenname (zelfst. naamw.) vrijheidsberoving (zelfst. naamw.) inverzekeringstelling (zelfst. naamw.) |
| inheems | autochtoon (bijv. naamw.) inlands (bijv. naamw.) endemisch (bijv. naamw.) |
| inheemse | inlandse (overig.) |
| inherent | eigen (Bijvoeglijk naamwoord) samengaand (bijv. naamw.) |
| inhiberen | verhinderen (werkwoord) |
| inhibitie | rem (zelfst. naamw.) remming (zelfst. naamw.) |