Nederlandse synoniemen

Typ een Nederlands woord om de synoniemen te zien

Toon synoniemen (NL)

1184 synoniemen met een `I`

iemand huisvesten (3x)
iemand iets aanrekenen (4x)
iemand iets flikken (3x)
iemand iets nalaten (2x)
iemand iets toedienen (3x)
iemand iets verwijten (4x)
iemand instoppen (1x)
iemand kenmerken (3x)
iemand motiveren (3x)
iemand nadoen (3x)
iemand neerslaan (2x)
iemand onderdak verlenen (3x)
iemand opbellen (2x)
iemand opstoken (2x)
iemand opzoeken (3x)
iemand plezieren (2x)
iemand recommanderen (3x)
iemand schrappen (1x)
iemand toelaten (1x)
iemand toetakelen (1x)
iemand vervangen (1x)
iemand zijn uiterlijk (8x)
iep (1x)
iepen (2x)
iet (1x)
iets (5x)
iets aankunnen (1x)
iets aanraden (4x)
iets aanwijzen (3x)
iets afbreken (1x)
iets afhandelen (1x)
iets afleiden uit (1x)
iets bederven (1x)
iets bemachtigen (5x)
iets melden (1x)
iets mislopen (2x)
iets niet weten (1x)
iets omdraaien (1x)
iets onverwachts doen (1x)
iets overdreven voorstellen (4x)
iets overeenkomen (1x)
iets overwegen (2x)
iets toebereiden (3x)
iets toekennen (2x)
iets transporteren (1x)
iets uitladen (2x)
iets uitstralen (1x)
iets vastkleven (3x)
iets verduren (2x)
iets vergallen (1x)
iets verkopen (1x)
iets verplaatsen (1x)
iets voelen (1x)
ietsje (1x)
ietwat (4x)
iglo (1x)
ignorant (1x)
ijdel (25x)
ijdelheid (9x)
ijdeltuit (2x)
ijdeltuiterij (2x)
ijf (2x)
ijk (4x)
ijken (3x)
ijking (1x)
ijkmaat (1x)
ijkmerk (1x)
ijkmerken (2x)
ijl (10x)
ijlbo (2x)
ijlbode (1x)
ijlen (22x)
ijlheid (1x)
ijlings (2x)
ijlkoorts (2x)
ijs (3x)
ijsbaan (2x)
ijsbeer (2x)
ijsbeker (2x)
ijsberen (2x)
ijsblok (2x)
ijsblokje (2x)
ijsco (3x)
ijscoupe (2x)
ijselijk (5x)
ijshockey (1x)
ijsje (4x)
ijsjes (1x)
ijskast (1x)
ijskasten (1x)
ijskeg (1x)
ijskegel (1x)
ijsklontje (2x)
ijskoud (5x)
ijskunstschaatster (1x)
ijsman (1x)
ijsmuts (1x)
ijspegel (1x)
ijsschol (1x)
ijsschots (2x)