Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen
Synoniemen (Nederlands) (Zie ook Duits - Engels - Frans - Spaans, of bekijk de Antoniemen)



Synoniemen met een `H`

Pagina 6 van 34 Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 Volgende
Synoniemen beginnend met een A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

WoordSynoniem
handig
aardig (bijv. naamw.)
werkbaar (bijv. naamw.)
inzetbaar (bijv. naamw.)
sjiek (bijv. naamw.)
handigheidje (bijv. naamw.)
geintje (bijv. naamw.)
geestigheid (bijv. naamw.)
handigheid
bedrevenheid (zelfst. naamw.)
foef (zelfst. naamw.)
kneep (zelfst. naamw.)
kunst (zelfst. naamw.)
kunstgreep (zelfst. naamw.)
toer (zelfst. naamw.)
truc (zelfst. naamw.)
vlugheid (zelfst. naamw.)
vaardigheid (zelfst. naamw.)
slag (zelfst. naamw.)
kunstje (zelfst. naamw.)
behendigheid (zelfst. naamw.)
handigheidje
sjiek (overig.)
handig (overig.)
geintje (overig.)
geestigheid (overig.)
handijzers
handboeien (overig.)
boeien (overig.)
handje
greep (zelfst. naamw.)
handjeklap
gesjacher (zelfst. naamw.)
geritsel (zelfst. naamw.)
afpingelarij (zelfst. naamw.)
afdingen (zelfst. naamw.)
handjevol
weinig (Zelfst. Naamw.)
een paar (Zelfst. Naamw.)
handkar
handwagen (zelfst. naamw.)
kar (zelfst. naamw.)
handkoffer
valies (overig.)
koffer (overig.)
handlanger
medeplichtige (Zelfst. Naamw.)
gabber (zelfst. naamw.)
maat (zelfst. naamw.)
trawant (zelfst. naamw.)
werktuig (zelfst. naamw.)
ondergeschikte (zelfst. naamw.)
handlangers
trawanten (overig.)
handlangster
medeplichtige (Zelfst. Naamw.)
handleiding
gebruiksaanwijzing (Zelfst. Naamw.)
instructie (zelfst. naamw.)
uitleg (zelfst. naamw.)
wegwijzer (zelfst. naamw.)
handleidingen
gebruiksaanwijzing (zelfst. naamw.)
handlezer
waarzegger (zelfst. naamw.)
handmatig
manuaal (overig.)
handomdraai
handgreep (zelfst. naamw.)
handophouden
bedelen (overig.)
handpalm
palm (overig.)
bal (overig.)
handreiken
assisteren (overig.)
handreiking
gebaar (zelfst. naamw.)
hulpbetoon (zelfst. naamw.)
hulpverlening (zelfst. naamw.)
hulp (zelfst. naamw.)
bijstand (zelfst. naamw.)
assistentie (zelfst. naamw.)
handrem
vertragingsmechanisme (overig.)
handschoen
want (zelfst. naamw.)
handschrift
manuscript (Zelfst. Naamw.)
autograaf (zelfst. naamw.)
schrift (zelfst. naamw.)
handspaak
kaapstanderpaal (overig.)
handsteun
leuning (overig.)
handtas
damestas (Zelfst. Naamw.)
tasje (zelfst. naamw.)
handtasje
tas (zelfst. naamw.)
handtastelijk
handgemeen (bijv. naamw.)
vrijpostig (bijv. naamw.)
handtastelijkheden
vuistslagen (overig.)
opdonders (overig.)
klappen (overig.)
handtekening
autogram (zelfst. naamw.)
krabbel (zelfst. naamw.)
tekening (zelfst. naamw.)
signatuur (zelfst. naamw.)
ondertekening (zelfst. naamw.)
handvaardig
handig (bijv. naamw.)
handvaardigheid
bedrevenheid (zelfst. naamw.)
handvat
handgreep (Zelfst. Naamw.)
greep (Zelfst. Naamw.)
aanknopingspunt (zelfst. naamw.)
penis (zelfst. naamw.)
oor (zelfst. naamw.)
hendel (zelfst. naamw.)
handel (zelfst. naamw.)
handveger
stoffer (overig.)
handvest
charter (zelfst. naamw.)
statuut (zelfst. naamw.)
verklaring (zelfst. naamw.)
handvol
greep (zelfst. naamw.)
pluk (zelfst. naamw.)
vuistvol (zelfst. naamw.)
handwagen
handkar (zelfst. naamw.)
handwerk
ambacht (zelfst. naamw.)
borduurwerk (zelfst. naamw.)
handwerken
naaien (werkwoord)
handwerker
handwerksman (overig.)
handarbei (overig.)
ambachtsman (overig.)
handwerkje
handwerk (zelfst. naamw.)
handwerksgilde
ambachtsgilde (overig.)
handwerksman
handwerker (overig.)
handarbei (overig.)
ambachtsman (overig.)
handwerktuig
werktuigen (overig.)
werktuig (overig.)
instrumenten (overig.)
instrument (overig.)
gerei (overig.)
gereedschappen (overig.)
gereedschap (overig.)
handzaam
gedwee (bijv. naamw.)
praktisch (bijv. naamw.)
hanebalk
hanenbalk (zelfst. naamw.)
hanekam
hanenkam (zelfst. naamw.)
hanenbalk
hanebalk (zelfst. naamw.)
hanenfokker
vertroetelen (overig.)
spaniel (overig.)
hanenkam
hanekam (zelfst. naamw.)
kuif (zelfst. naamw.)
hanenpoot
hanepoot (zelfst. naamw.)
hanenpoten
prulgeschrift (overig.)
krabbel (overig.)
gekrabbel (overig.)
gekladder (overig.)
hanepoot
hanenpoot (zelfst. naamw.)
hang
geneigdheid (zelfst. naamw.)
neiging (zelfst. naamw.)
inclinatie (zelfst. naamw.)
gezindheid (zelfst. naamw.)
hangaar
loods (zelfst. naamw.)
keet (zelfst. naamw.)
bouwkeet (zelfst. naamw.)
barak (zelfst. naamw.)
hangconstructie
hangwerk (zelfst. naamw.)
hangebast
hangop (overig.)
hangen
afhangen (werkwoord)
drenzen (werkwoord)
drijven (werkwoord)
gehecht zijn (werkwoord)
haken (werkwoord)
ophangen (werkwoord)
zweven (werkwoord)

Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 Volgende


Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald