| Woord | Synoniem |
| hebbelijkheid | eigenaardigheid (Zelfst. Naamw.) aanwensel (zelfst. naamw.) vreemdsoortigheid (zelfst. naamw.) merkwaardigheid (zelfst. naamw.) |
| hebben | beschikken over (werkwoord) gehoord hebben (werkwoord) lijden (werkwoord) pakken (werkwoord) bezitten (werkwoord) |
| hebberig | hebzuchtig (Bijvoeglijk naamwoord) inhalig (Bijvoeglijk naamwoord) begerig (bijv. naamw.) |
| hebberigheid | hebzucht (zelfst. naamw.) gretigheid (zelfst. naamw.) |
| hebbes | beet (Tussenwerpsel) eureka (overig.) |
| hebelangrijk | cruciaal (overig.) |
| hebgier | geldzucht (overig.) |
| Hebreeër | joods (overig.) Hebreeuws (overig.) Jood (overig.) |
| Hebreeuws | joods (overig.) Hebreeër (overig.) |
| hebzucht | hebberigheid (Zelfst. Naamw.) schraapzucht (zelfst. naamw.) gretigheid (zelfst. naamw.) |
| hebzuchtig | egoïstisch (bijv. naamw.) hebberig (bijv. naamw.) begerig (bijv. naamw.) inhalig (bijv. naamw.) |
| hecht | compact (bijv. naamw.) duurzaam (bijv. naamw.) |
| hechtdraad | garen (overig.) draad (overig.) |
| hechten | aanhechten (werkwoord) binden (werkwoord) gehecht zijn (werkwoord) houden (werkwoord) toekennen (werkwoord) vastlijmen (werkwoord) vastmaken (werkwoord) vastnaaien (werkwoord) bevestigen (werkwoord) vastplakken (werkwoord) vasthechten (werkwoord) opplakken (werkwoord) lijmen (werkwoord) |
| hechten aan | houden van (iets of iemand) (Werkwoord) |
| hechtenis | arrest (zelfst. naamw.) gevangenhouding (zelfst. naamw.) gevangenisstraf (zelfst. naamw.) gevangenschap (zelfst. naamw.) opsluiting (zelfst. naamw.) detentie (zelfst. naamw.) straf (zelfst. naamw.) celstraf (zelfst. naamw.) boete (zelfst. naamw.) verzekerbewaring (zelfst. naamw.) |
| hechtheid | stevigheid (zelfst. naamw.) vastheid (zelfst. naamw.) soliditeit (zelfst. naamw.) |
| hechting | litteken (zelfst. naamw.) vasthechting (zelfst. naamw.) |
| hechtpleister | pleister (zelfst. naamw.) kleefpleister (zelfst. naamw.) |
| hechttang | nietmachine (overig.) |
| hectare | ha (zelfst. naamw.) bunder (overig.) |
| hectisch | chaotisch (Bijvoeglijk naamwoord) druk (bijv. naamw.) koortsachtig (bijv. naamw.) |
| hectoliter | mud (zelfst. naamw.) |
| heden | nu (Bijwoord) vandaag (zelfst. naamw.) thans (overig.) |
| hedenavond | vanavond (bijv. naamw.) |
| hedendaags | modern (Bijvoeglijk naamwoord) contemporain (bijv. naamw.) eigentijds (bijv. naamw.) huidig (bijv. naamw.) tegenwoordig (bijv. naamw.) |
| hedentendage | tegenwoordig (bijv. naamw.) |
| hedonisme | genotzucht (overig.) |
| hedonist | levensgenieter (zelfst. naamw.) |
| hedonistisch | genotzuchtig (overig.) |
| heek | stokvis (overig.) |
| heel | zeer (Bijwoord) erg (Bijwoord) geweldig (Bijvoeglijk naamwoord) groot (Bijvoeglijk naamwoord) belangrijk (bijv. naamw.) compleet (bijv. naamw.) gaaf (bijv. naamw.) intact (bijv. naamw.) volkomen (bijv. naamw.) volstrekt (bijv. naamw.) godganselijk (overig.) |
| heelal | universum (Zelfst. Naamw.) hemelruim (Zelfst. Naamw.) hemelgewelf (zelfst. naamw.) wereldruimte (zelfst. naamw.) ruimte (zelfst. naamw.) |
| heelhuids | behouden (bijv. naamw.) ongedeerd (bijv. naamw.) ongeschonden (bijv. naamw.) ongekwetst (bijv. naamw.) |
| heelkun | medicijnen (overig.) geneeskunst (overig.) geneeskun (overig.) |
| heelkunde | geneeskunde (zelfst. naamw.) |
| heelkundig | chirurgisch (bijv. naamw.) operatief (bijv. naamw.) |
| heelkundige | chirurg (overig.) |
| heelmeester | genezer (zelfst. naamw.) barbier (zelfst. naamw.) |
| heem | boerenerf (zelfst. naamw.) thuis (zelfst. naamw.) hof (zelfst. naamw.) erf (zelfst. naamw.) |
| heemraadschap | waterschap (overig.) |
| heen | ksst (bijv. naamw.) weg (bijv. naamw.) vort (bijv. naamw.) |
| heengaan | afreizen (werkwoord) doodgaan (werkwoord) overlijden (werkwoord) verlaten (werkwoord) verlopen (werkwoord) weggaan (werkwoord) vertrekken (zelfst. naamw.) opstappen (werkwoord) opbreken (werkwoord) gaan (werkwoord) verscheiden (werkwoord) sterven (werkwoord) ontslapen (werkwoord) inslapen (werkwoord) wegvallen (werkwoord) vallen (werkwoord) sneuvelen (werkwoord) omkomen (werkwoord) bezwijken (werkwoord) wegtrekken (werkwoord) wegreizen (werkwoord) verdwijnen (werkwoord) |