| Woord | Synoniem |
| gebaar | beweging (zelfst. naamw.) |
| gebabbel | gekeuvel (zelfst. naamw.) praatje (zelfst. naamw.) causerie (zelfst. naamw.) babbeltje (zelfst. naamw.) gekwebbel (zelfst. naamw.) geklets (zelfst. naamw.) gepraat (zelfst. naamw.) gekout (zelfst. naamw.) |
| gebak | banket (zelfst. naamw.) taart (zelfst. naamw.) |
| gebakje | taartje (Zelfst. Naamw.) kwarkpunt (zelfst. naamw.) bijesteek (zelfst. naamw.) |
| gebakjes | gebak (zelfst. naamw.) |
| gebakkelei | geruzie (overig.) gekrakeel (overig.) gekif (overig.) gehakketak (overig.) |
| gebakken | gehecht (bijv. naamw.) bakken (werkwoord) gevangenissen (zelfst. naamw.) |
| gebakken lucht | kouwe drukte (overig.) |
| gebaren | gesticuleren (Werkwoord) mimen (werkwoord) |
| gebarenkunst | mimiek (zelfst. naamw.) |
| gebarenspel | mime (zelfst. naamw.) pantomime (zelfst. naamw.) |
| gebarentaal | doventaal (overig.) |
| gebarsten | beschadigd (bijv. naamw.) schraal (bijv. naamw.) stuk (bijv. naamw.) kapot (bijv. naamw.) |
| gebaseerd zijn | berusten (overig.) |
| gebazel | leuterpraat (overig.) gezwets (overig.) gezwam (overig.) gewauwel (overig.) gelul (overig.) geleuter (overig.) geklets (overig.) wartaal (overig.) mallepraat (overig.) gekkenpraat (overig.) |
| gebed | bede (zelfst. naamw.) bidden (zelfst. naamw.) lof (zelfst. naamw.) godsdienstoefening (zelfst. naamw.) |
| gebedshuis | bedehuis (overig.) |
| gebeef | beving (zelfst. naamw.) |
| gebeente | beenderen (zelfst. naamw.) botten (zelfst. naamw.) skelet (zelfst. naamw.) |
| gebeier | klokgelui (overig.) gelui (overig.) |
| gebeiteld | goed (bijv. naamw.) |
| gebelgd | boos (bijv. naamw.) gekwetst (bijv. naamw.) verontwaardigd (bijv. naamw.) verstoord (bijv. naamw.) ontevreden (bijv. naamw.) misnoegd (bijv. naamw.) vertoornd (bijv. naamw.) verbolgen (bijv. naamw.) nijdig (bijv. naamw.) kwaad (bijv. naamw.) giftig (bijv. naamw.) |
| gebergte | berggebied (Zelfst. Naamw.) bergketen (overig.) |
| gebeuk | gebons (overig.) gebonk (overig.) |
| gebeuren | zich voordoen (Werkwoord) voorvallen (Werkwoord) geschieden (werkwoord) overkomen (werkwoord) plaatsvinden (werkwoord) ervaring (zelfst. naamw.) voorkomen (werkwoord) plaatshebben (werkwoord) plaatsgrijpen (werkwoord) voordoen (werkwoord) passeren (werkwoord) |
| gebeurtenis | voorval (Zelfst. Naamw.) aangelegenheid (zelfst. naamw.) belevenis (zelfst. naamw.) evenement (zelfst. naamw.) feit (zelfst. naamw.) incident (zelfst. naamw.) geval (zelfst. naamw.) gelegenheid (zelfst. naamw.) situatie (zelfst. naamw.) |
| gebeurtenissen | incidenten (zelfst. naamw.) voorvallen (zelfst. naamw.) |
| gebeuzel | rimram (overig.) nonsens (overig.) kul (overig.) kol (overig.) kletskoek (overig.) humbug (overig.) gezwets (overig.) geleuter (overig.) flauwekul (overig.) |
| gebie | meester (overig.) bevelhebber (overig.) beheerser (overig.) baas (overig.) |
| gebied | domein (Zelfst. Naamw.) terrein (Zelfst. Naamw.) gewest (zelfst. naamw.) kavel (zelfst. naamw.) landstreek (zelfst. naamw.) omgeving (zelfst. naamw.) provincie (zelfst. naamw.) zone (zelfst. naamw.) perceel (zelfst. naamw.) kav (zelfst. naamw.) bouwterrein (zelfst. naamw.) streek (zelfst. naamw.) regio (zelfst. naamw.) plaats (zelfst. naamw.) oord (zelfst. naamw.) gouw (zelfst. naamw.) ressort (zelfst. naamw.) rayon (zelfst. naamw.) rijksonderdeel (zelfst. naamw.) rechtsgebied (zelfst. naamw.) territorium (zelfst. naamw.) gord (zelfst. naamw.) |
| gebieden | gelasten (Werkwoord) bevelen (werkwoord) eisen (werkwoord) heersen (werkwoord) verordonneren (werkwoord) voorschrijven (werkwoord) verordenen (werkwoord) opdragen (werkwoord) decreteren (werkwoord) commanderen (werkwoord) dicteren (werkwoord) |
| gebiedend | vereisend (overig.) imperatief (overig.) gelastend (overig.) dwingend (overig.) |
| gebiedenwijs | imperatief (overig.) |