| Woord | Synoniem |
| gedurig | almaar (bijv. naamw.) aldoor (bijv. naamw.) |
| gedut | dutten (overig.) |
| geduvel | ellende (zelfst. naamw.) |
| geduwd | gestoten (bijv. naamw.) |
| gedwee | onderdanig (Bijvoeglijk naamwoord) volgzaam (Bijvoeglijk naamwoord) buigzaam (bijv. naamw.) flexibel (bijv. naamw.) meegaand (bijv. naamw.) onderworpen (bijv. naamw.) gehoorzaam (bijv. naamw.) toegevend (bijv. naamw.) toegeeflijk (bijv. naamw.) soepel (bijv. naamw.) inschikkelijk (bijv. naamw.) gewillig (bijv. naamw.) tam (overig.) |
| gedwongen | geforceerd (bijv. naamw.) onvrijwillig (bijv. naamw.) onnatuurlijk (bijv. naamw.) gemaakt (bijv. naamw.) verplicht (bijv. naamw.) |
| geëerd | gerespecteerd (bijv. naamw.) geacht (bijv. naamw.) geëerde (bijv. naamw.) gewaardeerd (bijv. naamw.) |
| geëerde | geëerd (overig.) gewaardeerd (overig.) gerespecteerd (overig.) geacht (overig.) |
| geefster | gever (overig.) deler (overig.) deelster (overig.) |
| geeft | aanreiken (werkwoord) doneren (werkwoord) verstrekken (werkwoord) |
| geëgaliseerd | plat (bijv. naamw.) vlak (bijv. naamw.) |
| geëigend | gepast (bijv. naamw.) geschikt (bijv. naamw.) passend (bijv. naamw.) |
| geëindigd | af (bijv. naamw.) voltooid (bijv. naamw.) voorbij (bijv. naamw.) uit (bijv. naamw.) over (bijv. naamw.) klaar (bijv. naamw.) gereed (bijv. naamw.) afgelopen (bijv. naamw.) afgedaan (bijv. naamw.) gepleegd (bijv. naamw.) gedaan (bijv. naamw.) beëindigd (bijv. naamw.) |
| geelkoper | messing (zelfst. naamw.) tombak (zelfst. naamw.) |
| geeltje | bankbiljet (zelfst. naamw.) |
| geelzien | xanthopsie (zelfst. naamw.) |
| geelzucht | icterus (zelfst. naamw.) |
| geëmitteerd | uitgeworpen (overig.) uitgestoten (overig.) |
| geëmotioneerd | gevoelvol (bijv. naamw.) gepassioneerd (bijv. naamw.) bewogen (bijv. naamw.) getroffen (bijv. naamw.) geroerd (bijv. naamw.) geraakt (bijv. naamw.) aangeslagen (bijv. naamw.) aangegrepen (bijv. naamw.) aangedaan (bijv. naamw.) |
| geen | niemand (overig.) genkele (overig.) genkel (overig.) |
| geenszins | allerminst (Bijwoord) allesbehalve (overig.) nooit (overig.) |
| geer | schuine strook (overig.) |
| geërgerd | geprikkeld (bijv. naamw.) geïrriteerd (bijv. naamw.) prikkelbaar (bijv. naamw.) pissig (bijv. naamw.) aangebrand (bijv. naamw.) |
| geest | mentaliteit (Zelfst. Naamw.) aard (zelfst. naamw.) binnenste (zelfst. naamw.) denker (zelfst. naamw.) denkvermogen (zelfst. naamw.) geestverschijning (zelfst. naamw.) sfeer (zelfst. naamw.) teneur (zelfst. naamw.) verschijning (zelfst. naamw.) spookverschijning (zelfst. naamw.) spook (zelfst. naamw.) schim (zelfst. naamw.) strekking (zelfst. naamw.) verstand (zelfst. naamw.) vernuft (zelfst. naamw.) hersens (zelfst. naamw.) brein (zelfst. naamw.) |
| geestdodend | afstompend (bijv. naamw.) eentonig (bijv. naamw.) saai (bijv. naamw.) stom (bijv. naamw.) suf (bijv. naamw.) |
| geestdrift | bezieling (zelfst. naamw.) elan (zelfst. naamw.) enthousiasme (zelfst. naamw.) bevlogenheid (zelfst. naamw.) animo (overig.) |
| geestdriftig | begeesterd (bijv. naamw.) bevlogen (bijv. naamw.) enthousiast (bijv. naamw.) fervent (bijv. naamw.) opgewonden (bijv. naamw.) bezield (bijv. naamw.) |
| geestelijk | godsdienstig (Bijvoeglijk naamwoord) spiritueel (Bijvoeglijk naamwoord) gelovig (bijv. naamw.) herderlijk (bijv. naamw.) immaterieel (bijv. naamw.) innerlijk (bijv. naamw.) inwendig (bijv. naamw.) kerkelijk (bijv. naamw.) onstoffelijk (bijv. naamw.) religieus (bijv. naamw.) vroom (bijv. naamw.) psychisch (bijv. naamw.) godvruchtig (bijv. naamw.) psychische (bijv. naamw.) |
| geestelijke | spirituele (bijv. naamw.) broeder (zelfst. naamw.) priester (zelfst. naamw.) zielenherder (zelfst. naamw.) broe (zelfst. naamw.) pater (zelfst. naamw.) |
| geestelijkheid | clerus (zelfst. naamw.) |