Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen
Synoniemen (Nederlands) (Zie ook Duits - Engels - Frans - Spaans, of bekijk de Antoniemen)



Synoniemen met een `F`

Pagina 1 van 16 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 Volgende
Synoniemen beginnend met een A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

WoordSynoniem
fa
stadium (overig.)
ontwikkelingsfa (overig.)
ontwikkelingsstadium (overig.)
faam
naam (zelfst. naamw.)
reputatie (zelfst. naamw.)
roem (zelfst. naamw.)
roep (zelfst. naamw.)
fabel
verdichtsel (zelfst. naamw.)
vertelling (zelfst. naamw.)
verzinsel (zelfst. naamw.)
verdichting (zelfst. naamw.)
sprookje (zelfst. naamw.)
leugen (zelfst. naamw.)
fictie (zelfst. naamw.)
bedenksel (zelfst. naamw.)
fabelachtig
legendarisch (bijv. naamw.)
buitengewoon (bijv. naamw.)
fabuleus (bijv. naamw.)
wijs (bijv. naamw.)
waanzinnig (bijv. naamw.)
reuze (bijv. naamw.)
krankzinnig (bijv. naamw.)
gaaf (bijv. naamw.)
fantastisch (bijv. naamw.)
fabricage
constructie (zelfst. naamw.)
vervaardiging (zelfst. naamw.)
productie (zelfst. naamw.)
maken (zelfst. naamw.)
fabricagekosten
arbeidsloon (zelfst. naamw.)
maakloon (zelfst. naamw.)
fabriceren
vervaardigen (werkwoord)
aanmaken (zelfst. naamw.)
maakt (zelfst. naamw.)
maken (zelfst. naamw.)
produceren (zelfst. naamw.)
vervaardiging (zelfst. naamw.)
fabrikeren (werkwoord)
voortbrengen (zelfst. naamw.)
fabricerend
producerend (overig.)
fabriek
bedrijf (zelfst. naamw.)
fabrieksarbeider
arbeider (zelfst. naamw.)
fabrikaat
artikel (zelfst. naamw.)
maaksel (zelfst. naamw.)
product (zelfst. naamw.)
produkt (zelfst. naamw.)
fabrikant
industrieel (zelfst. naamw.)
producent (zelfst. naamw.)
vervaardiger (zelfst. naamw.)
fabrikeren
fabriceren (werkwoord)
fabuleren
fantaseren (werkwoord)
fabuleus
fabelachtig (overig.)
faça
voorkomen (overig.)
schijn (overig.)
masker (overig.)
dekmant (overig.)
schijnvertoning (overig.)
voorkant (overig.)
vooraanzicht (overig.)
front (overig.)
voorgev (overig.)
pui (overig.)
gev (overig.)
façade
dekmantel (zelfst. naamw.)
pui (zelfst. naamw.)
schijnvertoning (zelfst. naamw.)
vooraanzicht (zelfst. naamw.)
face-à-main
lorgnet (overig.)
facet
opzicht (zelfst. naamw.)
aspect (zelfst. naamw.)
gedeelte (overig.)
facie
bek (zelfst. naamw.)
faciliteit
voorziening (Zelfst. Naamw.)
tegemoetkoming (zelfst. naamw.)
facsimile
duplicaat (zelfst. naamw.)
factie
groepering (overig.)
partij (overig.)
factor
element (zelfst. naamw.)
factotum
duvelstoejager (zelfst. naamw.)
manusje-van-alles (zelfst. naamw.)
factureren
gefactureerd (werkwoord)
factuur
rekening (Zelfst. Naamw.)
nota (zelfst. naamw.)
facultatief
optioneel (Bijvoeglijk naamwoord)
onverplicht (bijv. naamw.)
faeces
kak (zelfst. naamw.)
uitwerpselen (zelfst. naamw.)
drek (zelfst. naamw.)
failleren
buitelen (werkwoord)
bederven (werkwoord)
failliet
bankroet (Bijvoeglijk naamwoord)
krach (bijv. naamw.)
faillissement (bijv. naamw.)
geruineerd (bijv. naamw.)
weg (bijv. naamw.)
faillissement
bankroet (Zelfst. Naamw.)
failliet (zelfst. naamw.)
krach (zelfst. naamw.)
Deconfiture (overig.)
fair
sportief (Bijvoeglijk naamwoord)
eerlijk (bijv. naamw.)
ridderlijk (bijv. naamw.)
rechtvaardig (bijv. naamw.)
billijk (bijv. naamw.)
fairway
golfbaan (overig.)
fake
nep (zelfst. naamw.)
fakir
asceet (zelfst. naamw.)
fakkel
toorts (Zelfst. Naamw.)
flambouw (zelfst. naamw.)
fakkeldrager
toortsdrager (overig.)
falderappes
tuig (overig.)
falen
tekortschieten (Werkwoord)
feilen (werkwoord)
mislukken (werkwoord)
ontbreken (werkwoord)
stranden (werkwoord)
mislopen (werkwoord)
misgaan (werkwoord)
floppen (werkwoord)
afgaan (werkwoord)
falie
sodemieter (zelfst. naamw.)
faliekant
finaal (bijv. naamw.)
hartstikke (bijv. naamw.)
helemaal (bijv. naamw.)
vierkant (bijv. naamw.)
volstrekt (bijv. naamw.)
gans (bijv. naamw.)
geheel (bijv. naamw.)
dik (overig.)
falsificatie
vervalsing (zelfst. naamw.)
falsificeren
logenstraffen (werkwoord)
vervalsen (werkwoord)
falsifiëren (werkwoord)
namaken (werkwoord)
nabootsen (werkwoord)
kopiëren (werkwoord)
falsifiëren
falsificeren (werkwoord)
falus
piemel (zelfst. naamw.)
fameus
beroemd (bijv. naamw.)
enorm (bijv. naamw.)
fabelachtig (bijv. naamw.)
familiair
gemeenzaam (overig.)
vrijpostig (overig.)
tutoyerend (overig.)
familie
bloedverwanten (zelfst. naamw.)
gezin (zelfst. naamw.)
huisgezin (zelfst. naamw.)
stamhuis (zelfst. naamw.)
verwanten (zelfst. naamw.)
geslacht (zelfst. naamw.)

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 Volgende


© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English