| Woord | Synoniem |
| edelmoedig | gul (bijv. naamw.) nobel (bijv. naamw.) groots (bijv. naamw.) grootmoedig (bijv. naamw.) edel (bijv. naamw.) vrijgevig (bijv. naamw.) ruimhartig (bijv. naamw.) royaal (bijv. naamw.) mild (bijv. naamw.) genereus (bijv. naamw.) |
| edelmoedigheid | grootmoedigheid (zelfst. naamw.) generositeit (zelfst. naamw.) |
| edelsteen | juweel (zelfst. naamw.) steen (zelfst. naamw.) |
| edelstenen | sierstenen (overig.) |
| Eden | paradijs (zelfst. naamw.) |
| edik | azijn (overig.) |
| editie | aflevering (zelfst. naamw.) druk (zelfst. naamw.) uitgave (zelfst. naamw.) |
| edoch | maar (overig.) echter (overig.) |
| educatie | onderwijs (zelfst. naamw.) scholing (zelfst. naamw.) |
| educatief | onderwijzend (bijv. naamw.) |
| eed | belofte (zelfst. naamw.) |
| eega | echtgenoot (zelfst. naamw.) partner (zelfst. naamw.) man (zelfst. naamw.) levenspartner (zelfst. naamw.) levensgez (zelfst. naamw.) gade (zelfst. naamw.) |
| eekhoorn | eekhoorntje (overig.) |
| eekhoorntje | eekhoorn (overig.) |
| eelt | eeltlaag (zelfst. naamw.) eeltplek (zelfst. naamw.) |
| eeltlaag | eelt (zelfst. naamw.) eeltplek (zelfst. naamw.) |
| eeltplek | eeltlaag (overig.) eelt (overig.) |
| een | gelijk (Bijvoeglijk naamwoord) eentje (bijv. naamw.) |
| één | men (bijv. naamw.) iemand (bijv. naamw.) enig (bijv. naamw.) dezelfde (bijv. naamw.) |
| een | zeker (bijv. naamw.) |
| eend | domkop (zelfst. naamw.) canard (zelfst. naamw.) |
| eendegesnater | gesnater (overig.) gekwaak (overig.) |
| eender | dezelfde (bijv. naamw.) hetzelfde (bijv. naamw.) identiek (bijv. naamw.) gelijk (bijv. naamw.) gehegelijk (bijv. naamw.) eenvormig (bijv. naamw.) idem (bijv. naamw.) |
| eendracht | eensgezindheid (zelfst. naamw.) harmonie (zelfst. naamw.) eendrachtigheid (zelfst. naamw.) |
| eendrachtig | eenparig (bijv. naamw.) eensgezind (bijv. naamw.) harmonieus (bijv. naamw.) saamhorig (bijv. naamw.) unaniem (bijv. naamw.) |
| eendrachtigheid | solidariteit (zelfst. naamw.) harmonie (zelfst. naamw.) eensgezindheid (zelfst. naamw.) eendracht (zelfst. naamw.) saamhorigheid (zelfst. naamw.) |
| eenduidig | ondubbelzinnig (bijv. naamw.) consistent (overig.) |
| Eenduidig | Ondubbelzinnig () overduidelijk, () |
| eenduidig | helder () Slim () pienter () Heldere () |
| eenheid | afdeling (zelfst. naamw.) eenstemmigheid (zelfst. naamw.) entiteit (zelfst. naamw.) gelijkvormigheid (zelfst. naamw.) legereenheid (zelfst. naamw.) onderdeel (zelfst. naamw.) voltalligheid (zelfst. naamw.) unita (zelfst. naamw.) uniformiteit (zelfst. naamw.) eenvormigheid (zelfst. naamw.) legeronderdeel (zelfst. naamw.) legerafdeling (zelfst. naamw.) volledigheid (zelfst. naamw.) volkomenheid (zelfst. naamw.) totaliteit (zelfst. naamw.) totaal (zelfst. naamw.) gezamenlijkheid (zelfst. naamw.) geheel (zelfst. naamw.) alles (zelfst. naamw.) |
| eenheidsmaat | standaard (overig.) |
| eenhoorn | narwal (overig.) driespan (overig.) |
| eenkennig | teruggetrokken (overig.) mensenschuw (overig.) introvert (overig.) eenzelvig (overig.) |
| eenkennigheid | schuwheid (zelfst. naamw.) |
| eenkleurig | monochroom (overig.) |
| eenling | eenzelvig mens (zelfst. naamw.) enkeling (zelfst. naamw.) individu (zelfst. naamw.) |
| eenmaal | weleens (overig.) ooit (overig.) eens (overig.) |
| eenmalig | uniek (bijv. naamw.) precident (zelfst. naamw.) |
| eenmans | eenpersoons (bijv. naamw.) |
| eenparig | algemeen (bijv. naamw.) gelijkmatig (bijv. naamw.) unaniem (bijv. naamw.) eenstemmig (bijv. naamw.) eensgezind (bijv. naamw.) |
| eenparigheid | unanimiteit (zelfst. naamw.) |
| eenpersoons | eenmans (bijv. naamw.) |
| eens | weleens (overig.) ooit (overig.) eenmaal (overig.) keer (overig.) |
| eensgezind | gelijkgestemd (Bijvoeglijk naamwoord) eendrachtig (Bijvoeglijk naamwoord) unaniem (bijv. naamw.) saamhorig (bijv. naamw.) harmonieus (bijv. naamw.) eenstemmig (bijv. naamw.) eenparig (bijv. naamw.) |
| eensgezindheid | eendracht (zelfst. naamw.) overeenkomst (zelfst. naamw.) overeenstemming (zelfst. naamw.) saamhorigheid (zelfst. naamw.) unanimiteit (zelfst. naamw.) harmonie (zelfst. naamw.) eendrachtigheid (zelfst. naamw.) eenstemmigheid (zelfst. naamw.) verbondenheid (zelfst. naamw.) solidariteit (zelfst. naamw.) |