Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen
Synoniemen (Nederlands) (Zie ook Duits - Engels - Frans - Spaans, of bekijk de Antoniemen)



Synoniemen met een `E`

Pagina 10 van 20 Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 Volgende
Synoniemen beginnend met een A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

WoordSynoniem
emmer
vat (zelfst. naamw.)
ton (zelfst. naamw.)
teil (zelfst. naamw.)
pot (zelfst. naamw.)
kuip (zelfst. naamw.)
fust (zelfst. naamw.)
barr (zelfst. naamw.)
bak (zelfst. naamw.)
aker (overig.)
emmeren
zeuren (Werkwoord)
emotie
aandoening (zelfst. naamw.)
ontroering (zelfst. naamw.)
vertedering (zelfst. naamw.)
gemoedsbeweging (zelfst. naamw.)
emotieloos
toonloos (overig.)
zielloos (overig.)
ongevoelig (overig.)
liefdeloos (overig.)
harteloos (overig.)
hardvochtig (overig.)
hard (overig.)
gevoelloos (overig.)
vlak (overig.)
emotieloosheid
ongevoeligheid (zelfst. naamw.)
meedogenloosheid (zelfst. naamw.)
gevoelloosheid (zelfst. naamw.)
emoties
aandoeningen (zelfst. naamw.)
gevoelens (bijv. naamw.)
emotionaliteit
gevoeligheid (zelfst. naamw.)
emotioneel
gevoelig (bijv. naamw.)
hartroerend (bijv. naamw.)
teergevoelig (bijv. naamw.)
gevoelsmatig (bijv. naamw.)
roerend (bijv. naamw.)
ontroerend (bijv. naamw.)
hartveroverend (bijv. naamw.)
aangrijpend (bijv. naamw.)
emotionespanning
spanning (zelfst. naamw.)
gespannenheid (overig.)
emotioneuitval
uitval (overig.)
uitbarsting (overig.)
uitbarsten (overig.)
empathie
inlevingsvermogen (bijv. naamw.)
emplooi
betrekking (zelfst. naamw.)
gebruik (zelfst. naamw.)
employees
werknemers (zelfst. naamw.)
empyeem
etterophoping (zelfst. naamw.)
en
plusteken (zelfst. naamw.)
plus (zelfst. naamw.)
en omgekeerd
vice versa (overig.)
encefalitis
hersenontsteking (zelfst. naamw.)
encefalopathie
hersenziekte (zelfst. naamw.)
encoderen
rippen (werkwoord)
encyclopedie
lexicon (zelfst. naamw.)
endeldarmontsteking
proctitis (zelfst. naamw.)
endemisch
inheems (bijv. naamw.)
endogamie
inteelt (zelfst. naamw.)
endosseren
indosseren (werkwoord)
enema
lavement (zelfst. naamw.)
energie
daadkracht (zelfst. naamw.)
fiksheid (zelfst. naamw.)
geestkracht (zelfst. naamw.)
wilskracht (zelfst. naamw.)
werklust (zelfst. naamw.)
puf (zelfst. naamw.)
momentum (zelfst. naamw.)
kracht (zelfst. naamw.)
fut (zelfst. naamw.)
esprit (zelfst. naamw.)
aandrift (zelfst. naamw.)
stroom (zelfst. naamw.)
hgeluid (zelfst. naamw.)
sterkte (zelfst. naamw.)
felheid (zelfst. naamw.)
dynamiek (zelfst. naamw.)
energiek
beweeglijk (bijv. naamw.)
daadkrachtig (bijv. naamw.)
doortastend (bijv. naamw.)
levendig (bijv. naamw.)
vief (bijv. naamw.)
kloek (bijv. naamw.)
kwiek (bijv. naamw.)
dynamisch (bijv. naamw.)
actief (bijv. naamw.)
geanimeerd (bijv. naamw.)
krachtig (bijv. naamw.)
sprankelend (overig.)
Ondernemend ()
Actief ()
bedrijvig ()
initiatiefrijk. ()
energieloos
futloos (bijv. naamw.)
slap (bijv. naamw.)
lusteloos (bijv. naamw.)
landerig (bijv. naamw.)
lamlendig (bijv. naamw.)
enfin
kortom (Tussenwerpsel)
zo (overig.)
welnu (overig.)
welaan (overig.)
wel (overig.)
nou (overig.)
eng
nauw (Bijvoeglijk naamwoord)
akelig (bijv. naamw.)
angstaanjagend (bijv. naamw.)
beangstigend (bijv. naamw.)
bekrompen (bijv. naamw.)
benauwend (bijv. naamw.)
dicht (bijv. naamw.)
dreigend (bijv. naamw.)
griezelig (bijv. naamw.)
kleingeestig (bijv. naamw.)
macaber (bijv. naamw.)
vreeswekkend (bijv. naamw.)
vreesaanjagend (bijv. naamw.)
schrikwekkend (bijv. naamw.)
schrikaanjagend (bijv. naamw.)
angstwekkend (bijv. naamw.)
hemelgeest (bijv. naamw.)
krap (bijv. naamw.)
engeltje (bijv. naamw.)
sinister (bijv. naamw.)
smalletjes (bijv. naamw.)
smal (bijv. naamw.)
engagement
betrokkenheid (zelfst. naamw.)
verbintenis (zelfst. naamw.)
verloving (zelfst. naamw.)
engageren
aannemen (werkwoord)
uitnodigen (werkwoord)
verloven (werkwoord)
inviteren (werkwoord)
engdenkendheid
engheid (zelfst. naamw.)
engel
schat (Zelfst. Naamw.)
hemelgeest (zelfst. naamw.)
engelachtig
lief (bijv. naamw.)
lieflijk (bijv. naamw.)
Engels
Engelsman (overig.)
Engeltaal (overig.)
Engelsman
Brit (zelfst. naamw.)
Engels (zelfst. naamw.)
Engeltaal
Engels (overig.)
engeltje
eng (overig.)
engerd
griezel (zelfst. naamw.)
griezeltje (zelfst. naamw.)
griez (zelfst. naamw.)
engerling
larve (zelfst. naamw.)
engheid
engdenkendheid (zelfst. naamw.)

Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 Volgende


© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English