| Woord | Synoniem |
| emmer | vat (zelfst. naamw.) ton (zelfst. naamw.) teil (zelfst. naamw.) pot (zelfst. naamw.) kuip (zelfst. naamw.) fust (zelfst. naamw.) barr (zelfst. naamw.) bak (zelfst. naamw.) aker (overig.) |
| emmeren | zeuren (Werkwoord) |
| emotie | aandoening (zelfst. naamw.) ontroering (zelfst. naamw.) vertedering (zelfst. naamw.) gemoedsbeweging (zelfst. naamw.) |
| emotieloos | toonloos (overig.) zielloos (overig.) ongevoelig (overig.) liefdeloos (overig.) harteloos (overig.) hardvochtig (overig.) hard (overig.) gevoelloos (overig.) vlak (overig.) |
| emotieloosheid | ongevoeligheid (zelfst. naamw.) meedogenloosheid (zelfst. naamw.) gevoelloosheid (zelfst. naamw.) |
| emoties | aandoeningen (zelfst. naamw.) gevoelens (bijv. naamw.) |
| emotionaliteit | gevoeligheid (zelfst. naamw.) |
| emotioneel | gevoelig (bijv. naamw.) hartroerend (bijv. naamw.) teergevoelig (bijv. naamw.) gevoelsmatig (bijv. naamw.) roerend (bijv. naamw.) ontroerend (bijv. naamw.) hartveroverend (bijv. naamw.) aangrijpend (bijv. naamw.) |
| emotionespanning | spanning (zelfst. naamw.) gespannenheid (overig.) |
| emotioneuitval | uitval (overig.) uitbarsting (overig.) uitbarsten (overig.) |
| empathie | inlevingsvermogen (bijv. naamw.) |
| emplooi | betrekking (zelfst. naamw.) gebruik (zelfst. naamw.) |
| employees | werknemers (zelfst. naamw.) |
| empyeem | etterophoping (zelfst. naamw.) |
| en | plusteken (zelfst. naamw.) plus (zelfst. naamw.) |
| en omgekeerd | vice versa (overig.) |
| encefalitis | hersenontsteking (zelfst. naamw.) |
| encefalopathie | hersenziekte (zelfst. naamw.) |
| encoderen | rippen (werkwoord) |
| encyclopedie | lexicon (zelfst. naamw.) |
| endeldarmontsteking | proctitis (zelfst. naamw.) |
| endemisch | inheems (bijv. naamw.) |
| endogamie | inteelt (zelfst. naamw.) |
| endosseren | indosseren (werkwoord) |
| enema | lavement (zelfst. naamw.) |
| energie | daadkracht (zelfst. naamw.) fiksheid (zelfst. naamw.) geestkracht (zelfst. naamw.) wilskracht (zelfst. naamw.) werklust (zelfst. naamw.) puf (zelfst. naamw.) momentum (zelfst. naamw.) kracht (zelfst. naamw.) fut (zelfst. naamw.) esprit (zelfst. naamw.) aandrift (zelfst. naamw.) stroom (zelfst. naamw.) hgeluid (zelfst. naamw.) sterkte (zelfst. naamw.) felheid (zelfst. naamw.) dynamiek (zelfst. naamw.) |
| energiek | beweeglijk (bijv. naamw.) daadkrachtig (bijv. naamw.) doortastend (bijv. naamw.) levendig (bijv. naamw.) vief (bijv. naamw.) kloek (bijv. naamw.) kwiek (bijv. naamw.) dynamisch (bijv. naamw.) actief (bijv. naamw.) geanimeerd (bijv. naamw.) krachtig (bijv. naamw.) sprankelend (overig.) Ondernemend () Actief () bedrijvig () initiatiefrijk. () |
| energieloos | futloos (bijv. naamw.) slap (bijv. naamw.) lusteloos (bijv. naamw.) landerig (bijv. naamw.) lamlendig (bijv. naamw.) |
| enfin | kortom (Tussenwerpsel) zo (overig.) welnu (overig.) welaan (overig.) wel (overig.) nou (overig.) |
| eng | nauw (Bijvoeglijk naamwoord) akelig (bijv. naamw.) angstaanjagend (bijv. naamw.) beangstigend (bijv. naamw.) bekrompen (bijv. naamw.) benauwend (bijv. naamw.) dicht (bijv. naamw.) dreigend (bijv. naamw.) griezelig (bijv. naamw.) kleingeestig (bijv. naamw.) macaber (bijv. naamw.) vreeswekkend (bijv. naamw.) vreesaanjagend (bijv. naamw.) schrikwekkend (bijv. naamw.) schrikaanjagend (bijv. naamw.) angstwekkend (bijv. naamw.) hemelgeest (bijv. naamw.) krap (bijv. naamw.) engeltje (bijv. naamw.) sinister (bijv. naamw.) smalletjes (bijv. naamw.) smal (bijv. naamw.) |
| engagement | betrokkenheid (zelfst. naamw.) verbintenis (zelfst. naamw.) verloving (zelfst. naamw.) |
| engageren | aannemen (werkwoord) uitnodigen (werkwoord) verloven (werkwoord) inviteren (werkwoord) |
| engdenkendheid | engheid (zelfst. naamw.) |
| engel | schat (Zelfst. Naamw.) hemelgeest (zelfst. naamw.) |
| engelachtig | lief (bijv. naamw.) lieflijk (bijv. naamw.) |
| Engels | Engelsman (overig.) Engeltaal (overig.) |
| Engelsman | Brit (zelfst. naamw.) Engels (zelfst. naamw.) |
| Engeltaal | Engels (overig.) |
| engeltje | eng (overig.) |
| engerd | griezel (zelfst. naamw.) griezeltje (zelfst. naamw.) griez (zelfst. naamw.) |
| engerling | larve (zelfst. naamw.) |
| engheid | engdenkendheid (zelfst. naamw.) |