| Woord | Synoniem |
| bedding | bed (zelfst. naamw.) bodem (zelfst. naamw.) rivierbedding (zelfst. naamw.) |
| bede | gebed (zelfst. naamw.) smeekbede (zelfst. naamw.) verzoek (zelfst. naamw.) vraag (zelfst. naamw.) smeekgebed (zelfst. naamw.) |
| bedeeld | begaafd (bijv. naamw.) geschapen (bijv. naamw.) gezegend (bijv. naamw.) |
| bedeesd | verlegen (Bijvoeglijk naamwoord) schuchter (Bijvoeglijk naamwoord) bang (bijv. naamw.) stil (bijv. naamw.) timide (bijv. naamw.) beschroomd (bijv. naamw.) zedig (bijv. naamw.) afgezonderd (bijv. naamw.) bevend (bijv. naamw.) schroomvallig (bijv. naamw.) bleu (bijv. naamw.) |
| bedeesdheid | schroom (zelfst. naamw.) verlegenheid (zelfst. naamw.) timiditeit (zelfst. naamw.) schuwheid (zelfst. naamw.) geslotenheid (zelfst. naamw.) schuchterheid (zelfst. naamw.) |
| bedehuis | kerk (zelfst. naamw.) kerkgebouw (zelfst. naamw.) tempel (zelfst. naamw.) synagoog (zelfst. naamw.) synagoge (zelfst. naamw.) moskee (zelfst. naamw.) godshuis (zelfst. naamw.) gebedshuis (zelfst. naamw.) |
| bedehuizen | kapellen (zelfst. naamw.) kerken (zelfst. naamw.) |
| bedekken | afdekken (werkwoord) bekleden (werkwoord) overtrekken (werkwoord) verbergen (werkwoord) verhullen (werkwoord) beslaan (zelfst. naamw.) toedekken (werkwoord) dekken (werkwoord) beleggen (werkwoord) bezaaien (werkwoord) bestrooien (werkwoord) versluieren (werkwoord) omhullen (werkwoord) maskeren (werkwoord) inhullen (werkwoord) hullen (werkwoord) bemantelen (werkwoord) verhangen (werkwoord) ophangen (werkwoord) gelasten (werkwoord) beschikken (werkwoord) behangen (werkwoord) afkondigen (werkwoord) |
| bedekking | dek (zelfst. naamw.) dekking (zelfst. naamw.) verduistering (zelfst. naamw.) omslag (zelfst. naamw.) kap (zelfst. naamw.) kaft (zelfst. naamw.) deksel (zelfst. naamw.) overdekking (zelfst. naamw.) omhulsel (zelfst. naamw.) kleding (zelfst. naamw.) |
| bedekkingen | afdekkingen (overig.) |
| bedekt | afgedekt (bijv. naamw.) geheim (bijv. naamw.) onzichtbaar (bijv. naamw.) overkapt (bijv. naamw.) stiekem (bijv. naamw.) versluierd (bijv. naamw.) verbloemd (bijv. naamw.) verkapt (bijv. naamw.) verholen (bijv. naamw.) verstolen (bijv. naamw.) steels (bijv. naamw.) heimelijk (bijv. naamw.) |
| bedelaar | landloper (zelfst. naamw.) schooier (zelfst. naamw.) klaploper (zelfst. naamw.) |
| bedelen | aalmoes vragen (werkwoord) begiftigen (werkwoord) schooien (werkwoord) smeken (werkwoord) beschenken (werkwoord) uitdelen (overig.) handophouden (overig.) |
| bedelven | bedekken (werkwoord) overmannen (werkwoord) overstelpen (werkwoord) overladen (werkwoord) begraven (werkwoord) |
| bedenkelijk | bezorgd (Bijvoeglijk naamwoord) benard (bijv. naamw.) betwist (bijv. naamw.) dubieus (bijv. naamw.) kwestieus (bijv. naamw.) omstreden (bijv. naamw.) onzeker (bijv. naamw.) twijfelachtig (bijv. naamw.) verdacht (bijv. naamw.) waaghalzerig (bijv. naamw.) riskant (bijv. naamw.) gewaagd (bijv. naamw.) vermolmd (bijv. naamw.) naar (bijv. naamw.) molmig (bijv. naamw.) |
| bedenken | verzinnen (Werkwoord) bedelen (werkwoord) construeren (werkwoord) nadenken (werkwoord) overpeinzen (werkwoord) tegenwerpen (werkwoord) zinnen (werkwoord) beramen (werkwoord) wikken (werkwoord) overdenken (werkwoord) voorwenden (werkwoord) verdichten (werkwoord) uitdenken (werkwoord) fantaseren (werkwoord) peinzen (werkwoord) bespiegelen (werkwoord) beschouwen (werkwoord) concipiëren (overig.) |
| bedenking | aanmerking (zelfst. naamw.) bezwaar (zelfst. naamw.) |
| bedenksel | fantasie (zelfst. naamw.) verzinsel (zelfst. naamw.) verdichtsel (zelfst. naamw.) verdichting (zelfst. naamw.) sprookje (zelfst. naamw.) leugen (zelfst. naamw.) fictie (zelfst. naamw.) fabel (zelfst. naamw.) |
| bedenktijd | respijt (zelfst. naamw.) |