| Woord | Synoniem |
| bedrag | (geld)som (Zelfst. Naamw.) actief (zelfst. naamw.) hoofdsom (zelfst. naamw.) |
| bedragen | belopen (Werkwoord) tellen (werkwoord) zijn (werkwoord) prijzen (overig.) |
| bedreigen | belagen (werkwoord) dreigen (werkwoord) intimideren (werkwoord) molesteren (werkwoord) |
| bedreigend | gevaarlijk (bijv. naamw.) grimmig (bijv. naamw.) |
| bedreiging | dreigement (zelfst. naamw.) dreiging (zelfst. naamw.) |
| bedremmeld | beduusd (bijv. naamw.) sip (bijv. naamw.) |
| bedreven | bekwaam (bijv. naamw.) knap (bijv. naamw.) kundig (bijv. naamw.) noest (bijv. naamw.) sterk (bijv. naamw.) behendig (bijv. naamw.) geoefend (bijv. naamw.) onvermoeibaar (bijv. naamw.) |
| bedrevenheid | ervarenheid (zelfst. naamw.) vlugheid (zelfst. naamw.) vaardigheid (zelfst. naamw.) slag (zelfst. naamw.) handigheid (zelfst. naamw.) handvaardigheid (zelfst. naamw.) |
| bedriegelijk | onecht (bijv. naamw.) vals (bijv. naamw.) onwaar (bijv. naamw.) nagemaakt (bijv. naamw.) gefingeerd (bijv. naamw.) |
| bedriegen | afzetten (werkwoord) bedonderen (werkwoord) besodemieteren (werkwoord) neppen (werkwoord) oplichten (werkwoord) zwendelen (werkwoord) misleiden (werkwoord) belazeren (werkwoord) beduvelen (werkwoord) smiespelen (werkwoord) spieken (werkwoord) horlogezakje (werkwoord) |
| bedrieger | fraudeur (zelfst. naamw.) leugenaar (zelfst. naamw.) oplichter (zelfst. naamw.) schurk (zelfst. naamw.) zwendelaar (zelfst. naamw.) grappenmaker (zelfst. naamw.) |
| bedriegerij | afzetterij (zelfst. naamw.) bedrog (zelfst. naamw.) knoeierij (zelfst. naamw.) onwaarheid (zelfst. naamw.) leugenarij (zelfst. naamw.) |
| bedriegers | misleiders (overig.) |
| bedrieglijk | frauduleus (bijv. naamw.) misleidend (bijv. naamw.) illusoir (bijv. naamw.) leugenachtig (bijv. naamw.) teleurstellend (bijv. naamw.) |
| bedrijf | akte (zelfst. naamw.) bedrijfstak (zelfst. naamw.) bezigheid (zelfst. naamw.) concern (zelfst. naamw.) etablissement (zelfst. naamw.) firma (zelfst. naamw.) gebruik (zelfst. naamw.) handelsbedrijf (zelfst. naamw.) organisatie (zelfst. naamw.) vennootschap (zelfst. naamw.) winkelbedrijf (zelfst. naamw.) onderneming (zelfst. naamw.) zaak (zelfst. naamw.) nering (zelfst. naamw.) handel (zelfst. naamw.) maatschappij (zelfst. naamw.) maatschap (zelfst. naamw.) handelshuis (zelfst. naamw.) coöperatie (zelfst. naamw.) |
| bedrijfsbestuurslid | bestuurslid (zelfst. naamw.) |
| bedrijfslei | manager (overig.) |
| bedrijfsleider | manager (Zelfst. Naamw.) chef (Zelfst. Naamw.) |
| bedrijfsleven | zakenleven (Zelfst. Naamw.) |
| bedrijfsrestaurant | kantine (zelfst. naamw.) |
| bedrijfsresultaat | algemeen (zelfst. naamw.) |
| bedrijfstak | bedrijf (zelfst. naamw.) branche (zelfst. naamw.) |
| bedrijven | begaan (werkwoord) bureaus (werkwoord) |
| bedrijvenvorm | activum (overig.) |
| bedrijver | reder (overig.) |
| bedrijvig | actief (bijv. naamw.) arbeidend (bijv. naamw.) bezig (bijv. naamw.) druk (bijv. naamw.) nijver (bijv. naamw.) arbeidzaam (bijv. naamw.) werkzaam (bijv. naamw.) werkend (bijv. naamw.) |
| bedrijvigheid | activiteit (zelfst. naamw.) drukte (zelfst. naamw.) roerigheid (zelfst. naamw.) werkzaamheid (zelfst. naamw.) bezigheid (zelfst. naamw.) arbeid (zelfst. naamw.) |
| bedroefd | treurig (Bijvoeglijk naamwoord) akelig (bijv. naamw.) droef (bijv. naamw.) droevig (bijv. naamw.) verdrietig (bijv. naamw.) bedrukt (bijv. naamw.) |
| bedroeven | beproeven (werkwoord) ergeren (werkwoord) |
| bedroevend | armzalig (bijv. naamw.) deerlijk (bijv. naamw.) |
| bedrog | misleiding (Zelfst. Naamw.) bedriegerij (zelfst. naamw.) illusie (zelfst. naamw.) leugen (zelfst. naamw.) nep (zelfst. naamw.) oplichterij (zelfst. naamw.) zwendelarij (zelfst. naamw.) knoeierij (zelfst. naamw.) onwaarheid (zelfst. naamw.) zwend (zelfst. naamw.) |
| bedrogen | bedonderd (bijv. naamw.) bekaaid (bijv. naamw.) bekocht (bijv. naamw.) |
| bedroppelen | bedruppelen (werkwoord) |
| bedrukken | drukken (werkwoord) opdrukken (werkwoord) overdrukken (werkwoord) |
| bedrukt | beklemd (bijv. naamw.) droefgeestig (bijv. naamw.) gedrukt (bijv. naamw.) miezerig (bijv. naamw.) neerslachtig (bijv. naamw.) somber (bijv. naamw.) verdrietig (bijv. naamw.) bedroefd (bijv. naamw.) terneergeslagen (bijv. naamw.) moedeloos (bijv. naamw.) mismoedig (bijv. naamw.) |