| Woord | Synoniem |
| aanleiding | oorzaak (zelfst. naamw.) |
| aanleidingen | redenen (overig.) oorzaken (overig.) |
| aanlengen | lengen (werkwoord) verdunnen (werkwoord) verwateren (werkwoord) versnijden (werkwoord) |
| aanlenging | verdunning (zelfst. naamw.) versnijding (zelfst. naamw.) |
| aanleren | leren (werkwoord) oppikken (werkwoord) opsteken (werkwoord) verwerven (werkwoord) |
| aanleveren | afleveren (werkwoord) bezorgen (werkwoord) brengen (werkwoord) geleverd (werkwoord) leveren (werkwoord) levert (werkwoord) overhandigen (werkwoord) toeleveren (werkwoord) |
| aanliggend | aangelegen (bijv. naamw.) dichtbijzijnd (bijv. naamw.) dichtbijgelegen (bijv. naamw.) aangrenzend (bijv. naamw.) |
| aanlijmen | lijmen (zelfst. naamw.) vastlijmen (zelfst. naamw.) |
| aanlokkelijk | attractief (Bijvoeglijk naamwoord) aantrekkelijk (bijv. naamw.) begeerlijk (bijv. naamw.) bekoorlijk (bijv. naamw.) smakelijk (bijv. naamw.) uitnodigend (bijv. naamw.) verleidelijk (bijv. naamw.) verzoekend (bijv. naamw.) verlokkend (bijv. naamw.) uitlokkend (bijv. naamw.) mooi (bijv. naamw.) knap (bijv. naamw.) charmant (bijv. naamw.) bevallig (bijv. naamw.) lekker (bijv. naamw.) |
| aanlokkelijkheid | gratie (zelfst. naamw.) charme (zelfst. naamw.) bekoring (zelfst. naamw.) bekoorlijkheid (zelfst. naamw.) aantrekkingskracht (zelfst. naamw.) aantrekkelijkheid (zelfst. naamw.) fascinatie (zelfst. naamw.) betovering (zelfst. naamw.) |
| aanlokken | aantrekken (werkwoord) lokken (werkwoord) verleiden (werkwoord) verlokken (werkwoord) weglokken (werkwoord) voortlokken (werkwoord) meelokken (werkwoord) |
| aanlokker | stoepier (overig.) runner (overig.) klantenlokker (overig.) aanbrenger (overig.) |
| aanloop | bezoek (zelfst. naamw.) prelude (zelfst. naamw.) visite (zelfst. naamw.) |
| aanloopstadium | begintijd (overig.) aanlooptijd (overig.) |
| aanlooptijd | begintijd (overig.) aanloopstadium (overig.) |
| aanlopen | langskomen (werkwoord) langslopen (werkwoord) |
| aanmaken | aanleggen (werkwoord) aansteken (werkwoord) gereedmaken (werkwoord) inschakelen (werkwoord) fabriceren (zelfst. naamw.) toebereiding (zelfst. naamw.) voorbereiden (werkwoord) verhitten (werkwoord) toebereiden (werkwoord) prikkelen (werkwoord) opwinden (werkwoord) bereiden (werkwoord) aanwakkeren (werkwoord) bereiding (werkwoord) starten (werkwoord) aanzetten (werkwoord) aandoen (werkwoord) ontsteken (werkwoord) vervaardiging (werkwoord) vervaardigen (werkwoord) produceren (werkwoord) maken (werkwoord) |
| aanmanen | aansporen (werkwoord) manen (werkwoord) sommeren (werkwoord) |
| aanmaning | dagvaarding (zelfst. naamw.) herinnering (zelfst. naamw.) herrinnering (zelfst. naamw.) sommatie (zelfst. naamw.) waarschuwing (zelfst. naamw.) vermaning (zelfst. naamw.) vermaan (zelfst. naamw.) aansporing (zelfst. naamw.) |
| aanmatigend | arrogant (bijv. naamw.) onbeschaamd (bijv. naamw.) hooghartig (bijv. naamw.) hautain (bijv. naamw.) zelfingenomen (bijv. naamw.) zelfgenoegzaam (bijv. naamw.) verwaand (bijv. naamw.) neerbuigend (bijv. naamw.) hovaardig (bijv. naamw.) hoogmoedig (bijv. naamw.) respectloos (bijv. naamw.) ongegeneerd (bijv. naamw.) onbeschoft (bijv. naamw.) |
| aanmatiging | zelfverheffing (zelfst. naamw.) verwaandheid (overig.) inbeelding (zelfst. naamw.) |
| aanmelden | opgeven (Werkwoord) aandienen (werkwoord) inschrijven (werkwoord) subscriberen (werkwoord) inschrijving (zelfst. naamw.) aanmonsteren (werkwoord) intekenen (werkwoord) |
| aanmelding | aangifte (zelfst. naamw.) inschrijving (zelfst. naamw.) opgave (zelfst. naamw.) |
| aanmeldingsformulier | inschrijvingsformulier (zelfst. naamw.) |
| aanmeldingskosten | inschrijfgeld (zelfst. naamw.) registratierecht (zelfst. naamw.) inschrijvingskosten (zelfst. naamw.) |
| aanmeren | vastmeren (werkwoord) vastmaken (werkwoord) vastleggen (werkwoord) vastbinden (werkwoord) meren (werkwoord) afmeren (werkwoord) aanleggen (werkwoord) |
| aanmerkelijk | beduidend (Bijvoeglijk naamwoord) aanzienlijk (Bijvoeglijk naamwoord) behoorlijk (bijv. naamw.) substantieel (bijv. naamw.) aardig (bijv. naamw.) opmerkelijk (bijv. naamw.) fors (bijv. naamw.) flink (bijv. naamw.) enorm (bijv. naamw.) |