| Woord | Synoniem |
| aanhouden | verdergaan (werkwoord) continueren (werkwoord) vatten (werkwoord) volhardendheid (werkwoord) vasthoudendheid (werkwoord) uithouding (werkwoord) taaiheid (werkwoord) |
| aanhoudend | blijvend (bijv. naamw.) duurzaam (bijv. naamw.) hardnekkig (bijv. naamw.) langdurig (bijv. naamw.) onafgebroken (bijv. naamw.) onophoudelijk (bijv. naamw.) voortdurend (bijv. naamw.) bestendig (bijv. naamw.) gedurig (bijv. naamw.) ononderbroken (bijv. naamw.) doorlopend (bijv. naamw.) continue (bijv. naamw.) continu (bijv. naamw.) aaneengesloten (bijv. naamw.) onafgelaten (bijv. naamw.) constant (bijv. naamw.) |
| aanhouder | doordrammer (zelfst. naamw.) doorzetter (zelfst. naamw.) |
| aanhouding | arrestatie (zelfst. naamw.) arrest (zelfst. naamw.) |
| aanjagen | aandrijven (werkwoord) aansporen (werkwoord) opjutten (werkwoord) porren (werkwoord) voortstuwen (zelfst. naamw.) |
| aankaarten | aansnijden (werkwoord) starten (werkwoord) opwerpen (werkwoord) openen (werkwoord) entameren (werkwoord) aanknopen (werkwoord) opperen (werkwoord) aanvoeren (werkwoord) |
| aankijken | kijken naar (Werkwoord) aanblikken (werkwoord) aanzien (werkwoord) afwachten (werkwoord) gadeslaan (werkwoord) verdenken (werkwoord) aanschouwen (werkwoord) toeschouwen (werkwoord) bekijken (werkwoord) |
| aankijken op | beschuldigen (Werkwoord) |
| aanklaagster | beschuldigster (overig.) |
| aanklacht | beschuldiging (zelfst. naamw.) requisitoir (zelfst. naamw.) tenlastelegging (zelfst. naamw.) |
| aanklagen | beschuldigen (werkwoord) betichten (werkwoord) |
| aanklagers | beschuldigers (zelfst. naamw.) |
| aanklampen | aanhouden (werkwoord) aanschieten (werkwoord) aanspreken (werkwoord) beetgrijpen (werkwoord) beetpakken (zelfst. naamw.) aanvatten (werkwoord) aanpakken (werkwoord) aangrijpen (werkwoord) vastpakken (werkwoord) vastklampen (werkwoord) grijpen (werkwoord) |
| aankleden | aandoen (werkwoord) aantrekken (werkwoord) opdirken (werkwoord) kleden (zelfst. naamw.) versieren (werkwoord) decoreren (werkwoord) |
| aankleding | bekleding (zelfst. naamw.) decoratie (zelfst. naamw.) inrichting (zelfst. naamw.) tooi (zelfst. naamw.) uitmonstering (zelfst. naamw.) versiering (zelfst. naamw.) |
| aankleven | schaduwen (werkwoord) |
| aanklooien | rotzooien (werkwoord) klooien (werkwoord) |
| aankloppen | aantikken (werkwoord) tikken (werkwoord) kloppen (werkwoord) |
| aanknopen | aanbinden (werkwoord) aangaan (werkwoord) aanhaken (werkwoord) beginnen (werkwoord) vastknopen (werkwoord) starten (werkwoord) opwerpen (werkwoord) openen (werkwoord) entameren (werkwoord) aansnijden (werkwoord) aankaarten (werkwoord) |
| aanknopingspunt | aanwijzing (zelfst. naamw.) handvat (zelfst. naamw.) |
| aanknopingspunten | steunpunten (zelfst. naamw.) |
| aankomen | aanraken (werkwoord) afhangen van (werkwoord) arriveren (werkwoord) dikker worden (werkwoord) finishen (werkwoord) genezen (werkwoord) naderen (werkwoord) opperen (werkwoord) raken (werkwoord) uitlopen (werkwoord) uitgaan (werkwoord) terechtkomen (werkwoord) ophouden (werkwoord) eindigen (werkwoord) aflopen (werkwoord) aanlanden (werkwoord) aanbelanden (werkwoord) toucheren (werkwoord) beroeren (werkwoord) betreffen (werkwoord) voorbijkomen (werkwoord) opzoeken (werkwoord) langskomen (werkwoord) inlopen (werkwoord) bezoeken (werkwoord) langsgaan (werkwoord) komen (werkwoord) zwaarworden (werkwoord) |
| aankomend | aanstaand (bijv. naamw.) aanstaande (bijv. naamw.) halfwassen (bijv. naamw.) komend (bijv. naamw.) toekomstige (bijv. naamw.) toekomstig (bijv. naamw.) toekomend (bijv. naamw.) |
| aankomende | arriveren (werkwoord) finishen (werkwoord) |
| aankomst | binnenkomst (zelfst. naamw.) intocht (zelfst. naamw.) komst (zelfst. naamw.) oprit (zelfst. naamw.) aanlegplaats (zelfst. naamw.) reis (zelfst. naamw.) |