Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen
Synoniemen (Nederlands) (Zie ook Duits - Engels - Frans - Spaans, of bekijk de Antoniemen)



Synoniemen met een `A`

Pagina 3 van 59 Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 Volgende
Synoniemen beginnend met een A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

WoordSynoniem
aandrift
werklust (zelfst. naamw.)
puf (zelfst. naamw.)
momentum (zelfst. naamw.)
kracht (zelfst. naamw.)
fut (zelfst. naamw.)
esprit (zelfst. naamw.)
energie (zelfst. naamw.)
neiging (zelfst. naamw.)
aandriften
driften (zelfst. naamw.)
aandrijfkracht
drijfkracht (zelfst. naamw.)
stuwkracht (zelfst. naamw.)
aandrijfmechanisme
aandrijving (zelfst. naamw.)
drijfwerk (zelfst. naamw.)
aandrijvingsmechanisme (zelfst. naamw.)
aandrijfwiel
aandrijvingswiel (overig.)
aandrijven
aanjagen (werkwoord)
aanspoelen (werkwoord)
aansporen (werkwoord)
aanzetten (werkwoord)
opkrikken (werkwoord)
opwekken (werkwoord)
prikkelen (werkwoord)
stimuleren (werkwoord)
voortstuwen (zelfst. naamw.)
voortdrijven (werkwoord)
opjagen (werkwoord)
drijven (werkwoord)
stranden (werkwoord)
aandrijving
aandrijfmechanisme (zelfst. naamw.)
motor (zelfst. naamw.)
stuwkracht (zelfst. naamw.)
drijfwerk (zelfst. naamw.)
aandrijvingsmechanisme (zelfst. naamw.)
voortstuwing (zelfst. naamw.)
aandrijvingen
motoren (zelfst. naamw.)
voortstuwingen (zelfst. naamw.)
aandrijvingsmechanisme
drijfwerk (overig.)
aandrijving (overig.)
aandrijfmechanisme (overig.)
aandrijvingswiel
aandrijfwiel (overig.)
aandringen
aanhouden (werkwoord)
aansporen (werkwoord)
erop staan (werkwoord)
opdringen (werkwoord)
zeuren (werkwoord)
drammen (werkwoord)
doordrukken (werkwoord)
doordrammen (werkwoord)
aandrukken
vastdrukken (werkwoord)
aanduiden
aangeven (werkwoord)
betekenen (werkwoord)
karakteriseren (werkwoord)
aanwijzen (zelfst. naamw.)
wijzen (werkwoord)
vertonen (werkwoord)
uitwijzen (werkwoord)
uitduiden (werkwoord)
tonen (werkwoord)
tentoonspreiden (werkwoord)
indiceren (werkwoord)
tekenen (werkwoord)
merken (werkwoord)
kenmerken (werkwoord)
aanstippen (werkwoord)
aankondigen (werkwoord)
noemen (overig.)
aanduidend
indicatief (bijv. naamw.)
aanduiding
aanwijzing (zelfst. naamw.)
benaming (zelfst. naamw.)
benoeming (zelfst. naamw.)
aandurven
durven (werkwoord)
tarten (werkwoord)
wagen (werkwoord)
aanduwen
aanstoten (werkwoord)
aaneen
tezamen (overig.)
tevens (overig.)
tegelijkertijd (overig.)
tegelijk (overig.)
samen (overig.)
ineen (overig.)
gelijktijdig (overig.)
gelijk (overig.)
bijeen (overig.)
aaneenbinden
verbinden (werkwoord)
samenbinden (werkwoord)
aaneengehecht
gekoppeld (bijv. naamw.)
verbonden (bijv. naamw.)
aangevoegd (bijv. naamw.)
aaneengeregen
aaneengesloten (bijv. naamw.)
aaneengeschakeld
onafgebroken (bijv. naamw.)
aaneengesloten
aaneengeregen (bijv. naamw.)
compact (bijv. naamw.)
onophoudelijk (bijv. naamw.)
voortdurend (bijv. naamw.)
ononderbroken (bijv. naamw.)
onafgebroken (bijv. naamw.)
doorlopend (bijv. naamw.)
continue (bijv. naamw.)
continu (bijv. naamw.)
aanhoudend (bijv. naamw.)
verenigd (bijv. naamw.)
verbonden (bijv. naamw.)
samenhangend (bijv. naamw.)
aaneenkoppelen
verbinden (zelfst. naamw.)
aaneenkoppeling
koppeling (zelfst. naamw.)
verbinding (zelfst. naamw.)
aaneenlassen
lassen (werkwoord)
lasten (werkwoord)
aaneenplakken
klitten (werkwoord)
plakken (werkwoord)
vastplakken (werkwoord)
kleven (werkwoord)
vastlijmen (werkwoord)
aaneenrijgen
rijgen (werkwoord)
aaneenschakelen
koppelen (werkwoord)
samenvoegen (werkwoord)
verbinden (werkwoord)
aaneenschakeling
keten (zelfst. naamw.)
ketting (zelfst. naamw.)
koppeling (zelfst. naamw.)
lijst (zelfst. naamw.)
opeenvolging (zelfst. naamw.)
reeks (zelfst. naamw.)
rij (zelfst. naamw.)
samenvoeging (zelfst. naamw.)
serie (zelfst. naamw.)
snoer (zelfst. naamw.)
samentrekking (zelfst. naamw.)
aaneenschakelingen
reeksen (overig.)
opeenvolgingen (overig.)
aaneensluiten
klieken (werkwoord)
sluiten (werkwoord)
aaneensluiting
koppeling (zelfst. naamw.)
verbinding (zelfst. naamw.)
aaneenvoeging
samenvoeging (zelfst. naamw.)
verbinding (zelfst. naamw.)
aaneenvolgend
opeenvolgend (overig.)
achtereenvolgend (overig.)
aanflitsen
aanfloepen (werkwoord)
aanfloepen
aanflitsen (werkwoord)
aanfluiting
schande (zelfst. naamw.)
spotternij (zelfst. naamw.)
spot (zelfst. naamw.)
smaad (zelfst. naamw.)
sarcasme (zelfst. naamw.)
ironie (zelfst. naamw.)
hoon (zelfst. naamw.)
gespot (zelfst. naamw.)
bespotting (zelfst. naamw.)

Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 Volgende


© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English