| Woord | Synoniem |
| aandrift | werklust (zelfst. naamw.) puf (zelfst. naamw.) momentum (zelfst. naamw.) kracht (zelfst. naamw.) fut (zelfst. naamw.) esprit (zelfst. naamw.) energie (zelfst. naamw.) neiging (zelfst. naamw.) |
| aandriften | driften (zelfst. naamw.) |
| aandrijfkracht | drijfkracht (zelfst. naamw.) stuwkracht (zelfst. naamw.) |
| aandrijfmechanisme | aandrijving (zelfst. naamw.) drijfwerk (zelfst. naamw.) aandrijvingsmechanisme (zelfst. naamw.) |
| aandrijfwiel | aandrijvingswiel (overig.) |
| aandrijven | aanjagen (werkwoord) aanspoelen (werkwoord) aansporen (werkwoord) aanzetten (werkwoord) opkrikken (werkwoord) opwekken (werkwoord) prikkelen (werkwoord) stimuleren (werkwoord) voortstuwen (zelfst. naamw.) voortdrijven (werkwoord) opjagen (werkwoord) drijven (werkwoord) stranden (werkwoord) |
| aandrijving | aandrijfmechanisme (zelfst. naamw.) motor (zelfst. naamw.) stuwkracht (zelfst. naamw.) drijfwerk (zelfst. naamw.) aandrijvingsmechanisme (zelfst. naamw.) voortstuwing (zelfst. naamw.) |
| aandrijvingen | motoren (zelfst. naamw.) voortstuwingen (zelfst. naamw.) |
| aandrijvingsmechanisme | drijfwerk (overig.) aandrijving (overig.) aandrijfmechanisme (overig.) |
| aandrijvingswiel | aandrijfwiel (overig.) |
| aandringen | aanhouden (werkwoord) aansporen (werkwoord) erop staan (werkwoord) opdringen (werkwoord) zeuren (werkwoord) drammen (werkwoord) doordrukken (werkwoord) doordrammen (werkwoord) |
| aandrukken | vastdrukken (werkwoord) |
| aanduiden | aangeven (werkwoord) betekenen (werkwoord) karakteriseren (werkwoord) aanwijzen (zelfst. naamw.) wijzen (werkwoord) vertonen (werkwoord) uitwijzen (werkwoord) uitduiden (werkwoord) tonen (werkwoord) tentoonspreiden (werkwoord) indiceren (werkwoord) tekenen (werkwoord) merken (werkwoord) kenmerken (werkwoord) aanstippen (werkwoord) aankondigen (werkwoord) noemen (overig.) |
| aanduidend | indicatief (bijv. naamw.) |
| aanduiding | aanwijzing (zelfst. naamw.) benaming (zelfst. naamw.) benoeming (zelfst. naamw.) |
| aandurven | durven (werkwoord) tarten (werkwoord) wagen (werkwoord) |
| aanduwen | aanstoten (werkwoord) |
| aaneen | tezamen (overig.) tevens (overig.) tegelijkertijd (overig.) tegelijk (overig.) samen (overig.) ineen (overig.) gelijktijdig (overig.) gelijk (overig.) bijeen (overig.) |
| aaneenbinden | verbinden (werkwoord) samenbinden (werkwoord) |
| aaneengehecht | gekoppeld (bijv. naamw.) verbonden (bijv. naamw.) aangevoegd (bijv. naamw.) |
| aaneengeregen | aaneengesloten (bijv. naamw.) |
| aaneengeschakeld | onafgebroken (bijv. naamw.) |
| aaneengesloten | aaneengeregen (bijv. naamw.) compact (bijv. naamw.) onophoudelijk (bijv. naamw.) voortdurend (bijv. naamw.) ononderbroken (bijv. naamw.) onafgebroken (bijv. naamw.) doorlopend (bijv. naamw.) continue (bijv. naamw.) continu (bijv. naamw.) aanhoudend (bijv. naamw.) verenigd (bijv. naamw.) verbonden (bijv. naamw.) samenhangend (bijv. naamw.) |
| aaneenkoppelen | verbinden (zelfst. naamw.) |
| aaneenkoppeling | koppeling (zelfst. naamw.) verbinding (zelfst. naamw.) |
| aaneenlassen | lassen (werkwoord) lasten (werkwoord) |
| aaneenplakken | klitten (werkwoord) plakken (werkwoord) vastplakken (werkwoord) kleven (werkwoord) vastlijmen (werkwoord) |
| aaneenrijgen | rijgen (werkwoord) |
| aaneenschakelen | koppelen (werkwoord) samenvoegen (werkwoord) verbinden (werkwoord) |
| aaneenschakeling | keten (zelfst. naamw.) ketting (zelfst. naamw.) koppeling (zelfst. naamw.) lijst (zelfst. naamw.) opeenvolging (zelfst. naamw.) reeks (zelfst. naamw.) rij (zelfst. naamw.) samenvoeging (zelfst. naamw.) serie (zelfst. naamw.) snoer (zelfst. naamw.) samentrekking (zelfst. naamw.) |
| aaneenschakelingen | reeksen (overig.) opeenvolgingen (overig.) |
| aaneensluiten | klieken (werkwoord) sluiten (werkwoord) |
| aaneensluiting | koppeling (zelfst. naamw.) verbinding (zelfst. naamw.) |
| aaneenvoeging | samenvoeging (zelfst. naamw.) verbinding (zelfst. naamw.) |
| aaneenvolgend | opeenvolgend (overig.) achtereenvolgend (overig.) |
| aanflitsen | aanfloepen (werkwoord) |
| aanfloepen | aanflitsen (werkwoord) |
| aanfluiting | schande (zelfst. naamw.) spotternij (zelfst. naamw.) spot (zelfst. naamw.) smaad (zelfst. naamw.) sarcasme (zelfst. naamw.) ironie (zelfst. naamw.) hoon (zelfst. naamw.) gespot (zelfst. naamw.) bespotting (zelfst. naamw.) |