| Woord | Synoniem |
| aanval | insult (zelfst. naamw.) stormloop (zelfst. naamw.) stormaanval (zelfst. naamw.) run (zelfst. naamw.) vlaag (zelfst. naamw.) opwelling (zelfst. naamw.) rand (zelfst. naamw.) |
| aanvallen | attaqueren (Werkwoord) aanvechten (werkwoord) aanvliegen (werkwoord) attaques (zelfst. naamw.) tackelen (zelfst. naamw.) aantasten (zelfst. naamw.) aangrijpen (zelfst. naamw.) overvallen (zelfst. naamw.) bestormen (zelfst. naamw.) beroertes (zelfst. naamw.) |
| aanvallend | offensief (bijv. naamw.) agressief (bijv. naamw.) |
| aanvaller | aanrander (zelfst. naamw.) overvaller (zelfst. naamw.) spits (zelfst. naamw.) voorhoedespeler (zelfst. naamw.) agressor (zelfst. naamw.) aanran (zelfst. naamw.) voorspeler (zelfst. naamw.) spitsspeler (zelfst. naamw.) |
| aanvallig | bevallig (bijv. naamw.) gracieus (bijv. naamw.) sierlijk (bijv. naamw.) snoezig (bijv. naamw.) snoeperig (bijv. naamw.) schattig (bijv. naamw.) allerliefst (bijv. naamw.) |
| aanvalswapen | wapen (zelfst. naamw.) |
| aanvang | begin (zelfst. naamw.) inzet (zelfst. naamw.) opening (zelfst. naamw.) start (zelfst. naamw.) |
| aanvangen | aanbreken (werkwoord) aangaan (werkwoord) aanknopen (werkwoord) aanvaarden (werkwoord) beginnen (werkwoord) intreden (werkwoord) starten (werkwoord) |
| aanvangstijd | starttijd (zelfst. naamw.) vertrektijd (zelfst. naamw.) begintijd (zelfst. naamw.) |
| aanvankelijk | eerst (bijv. naamw.) oorspronkelijk (bijv. naamw.) |
| aanvaren | rammen (werkwoord) |
| aanvaring | botsing (zelfst. naamw.) conflict (zelfst. naamw.) |
| aanvaringen | ruzies (overig.) |
| aanvatten | aangrijpen (werkwoord) aanpakken (werkwoord) beetpakken (zelfst. naamw.) aanklampen (werkwoord) vatten (werkwoord) pakken (werkwoord) oprapen (werkwoord) nemen (werkwoord) |
| aanvechtbaar | betwistbaar (Bijvoeglijk naamwoord) controversieel (bijv. naamw.) dubieus (bijv. naamw.) kwestieus (bijv. naamw.) twijfelachtig (bijv. naamw.) zwak (bijv. naamw.) bestrijdbaar (bijv. naamw.) |
| aanvechten | aanvallen (werkwoord) bestrijden (werkwoord) betwisten (werkwoord) |
| aanvechting | drang (zelfst. naamw.) verleiding (zelfst. naamw.) neiging (zelfst. naamw.) verzoeking (zelfst. naamw.) verovering (zelfst. naamw.) verlokking (zelfst. naamw.) temptatie (zelfst. naamw.) seductie (zelfst. naamw.) bekoring (zelfst. naamw.) |
| aanvegen | vegen (werkwoord) |
| aanvliegen | aanvallen (werkwoord) naderen (werkwoord) |
| aanvoelen | meevoelen (werkwoord) voelen (werkwoord) voorvoelen (werkwoord) feeling (zelfst. naamw.) meeleven (werkwoord) gevoel (werkwoord) |
| aanvoer | toevoer (zelfst. naamw.) lei (zelfst. naamw.) hoofdman (zelfst. naamw.) hoofd (zelfst. naamw.) kapitein (zelfst. naamw.) commandant (zelfst. naamw.) bevelhebber (zelfst. naamw.) |
| aanvoerder | bevelhebber (zelfst. naamw.) hoofd (zelfst. naamw.) hoofdman (zelfst. naamw.) leider (zelfst. naamw.) overste (zelfst. naamw.) |
| aanvoerders | voormannen (overig.) leiders (overig.) kopmannen (overig.) hoofdmannen (overig.) |
| aanvoeren | aandragen (werkwoord) leiden (werkwoord) opperen (werkwoord) poneren (werkwoord) voorgaan (zelfst. naamw.) leiding (werkwoord) aanvoering (werkwoord) opwerpen (werkwoord) entameren (werkwoord) aansnijden (werkwoord) aankaarten (werkwoord) leidinggeven (werkwoord) commanderen (werkwoord) voorzitten (werkwoord) managen (werkwoord) besturen (werkwoord) |
| aanvoerend | eerste (bijv. naamw.) leidend (bijv. naamw.) |
| aanvoering | voorgaan (overig.) leiding (zelfst. naamw.) aanvoeren (overig.) |
| aanvoerster | leidster (zelfst. naamw.) voorvrouw (zelfst. naamw.) leidsvrouw (zelfst. naamw.) |
| aanvraag | verzoek (Zelfst. Naamw.) bestelling (zelfst. naamw.) verzoekschrift (zelfst. naamw.) rekwest (zelfst. naamw.) rekest (zelfst. naamw.) petitie (zelfst. naamw.) |
| aanvraagster | vraagster (overig.) verzoekster (overig.) |
| aanvragen | aanzoeken (werkwoord) bespreken (werkwoord) bestellen (werkwoord) opvragen (werkwoord) rekwestreren (werkwoord) opgeven (zelfst. naamw.) vragen (werkwoord) verzoeken (werkwoord) uitnodigen (werkwoord) |