| Woord | Synoniem |
| aanplant | poten (zelfst. naamw.) planten (zelfst. naamw.) gewas (zelfst. naamw.) voortplanting (zelfst. naamw.) voortbrenging (zelfst. naamw.) verbouw (zelfst. naamw.) reproductie (zelfst. naamw.) kweken (zelfst. naamw.) fokkerij (zelfst. naamw.) fok (zelfst. naamw.) cultuur (zelfst. naamw.) aankweken (zelfst. naamw.) aankweek (zelfst. naamw.) aanfok (zelfst. naamw.) |
| aanplanten | telen (werkwoord) planten (zelfst. naamw.) voortbrengen (zelfst. naamw.) verbouwen (zelfst. naamw.) procreëren (zelfst. naamw.) opkweken (zelfst. naamw.) kweken (zelfst. naamw.) genereren (zelfst. naamw.) fokken (zelfst. naamw.) aankweken (zelfst. naamw.) |
| aanpoten | voortmaken (werkwoord) spoeden (werkwoord) overhaasten (werkwoord) jagen (werkwoord) ijlen (werkwoord) haasten (werkwoord) sloven (werkwoord) pezen (werkwoord) kapotwerken (werkwoord) buffelen (werkwoord) afbeulen (werkwoord) |
| aanpraten | opdringen (werkwoord) wijsmaken (werkwoord) aansmeren (werkwoord) |
| aanprijzen | aanbevelen (werkwoord) adviseren (werkwoord) recommanderen (werkwoord) |
| aanprijzing | referentie (overig.) recommandatie (overig.) aanbeveling (zelfst. naamw.) |
| aanproberen | passen (werkwoord) probeer (werkwoord) proberen (werkwoord) |
| aanpunten | punten (werkwoord) |
| aanraakbaar | voelbaar (overig.) tastbaar (overig.) stoffelijk (overig.) konkreet (overig.) grijpbaar (overig.) duidelijk (overig.) concreet (overig.) |
| aanraden | adviseren (Werkwoord) aanbevelen (werkwoord) voordragen (werkwoord) nomineren (werkwoord) |
| aanraken | aanroeren (werkwoord) aanstoten (werkwoord) strelen (werkwoord) voel (werkwoord) voelde (werkwoord) voelen (werkwoord) toucheren (werkwoord) raken (werkwoord) beroeren (werkwoord) aankomen (werkwoord) |
| aanraking | beroering (zelfst. naamw.) contact (zelfst. naamw.) |
| aanrakingspunt | raakvlak (zelfst. naamw.) raakpunt (zelfst. naamw.) |
| aanran | aanvaller (overig.) |
| aanranden | aantasten (werkwoord) verkrachten (werkwoord) |
| aanrander | aanvaller (zelfst. naamw.) |
| aanrecht | gootsteen (zelfst. naamw.) buffet (zelfst. naamw.) gootst (zelfst. naamw.) |
| aanreiken | aanbieden (werkwoord) aangeboden (werkwoord) aangeven (werkwoord) afgeven (werkwoord) geeft (werkwoord) geven (werkwoord) overgeven (werkwoord) overhandigen (werkwoord) reiken (werkwoord) toesteken (werkwoord) |
| aanrekenen | berispen (werkwoord) beschuldigen (werkwoord) kwalijk nemen (werkwoord) laken (werkwoord) verwijten (werkwoord) aanwrijven (werkwoord) voorhouden (werkwoord) gispen (werkwoord) blameren (werkwoord) nadragen (werkwoord) |
| aanrichten | aandoen (werkwoord) brengen (werkwoord) organiseren (werkwoord) veroorzaken (werkwoord) teweegbrengen (werkwoord) stichten (werkwoord) regelen (werkwoord) ordenen (werkwoord) arrangeren (werkwoord) aanstichten (werkwoord) |
| aanrijden | botsen (werkwoord) grijpen (werkwoord) rammen (werkwoord) |
| aanrijding | botsing (zelfst. naamw.) collisie (zelfst. naamw.) |
| aanrijdingen | botsingen (overig.) |
| aanroepen | inroepen (werkwoord) praaien (werkwoord) toeroepen (werkwoord) inviteren (werkwoord) |
| aanroeren | aanraken (werkwoord) aansnijden (werkwoord) aanstippen (werkwoord) |
| aanrommelen | scharrelen (werkwoord) rotzooien (werkwoord) knoeien (werkwoord) aanrotzooien (werkwoord) |
| aanrotzooien | knoeien (werkwoord) scharrelen (werkwoord) rotzooien (werkwoord) aanrommelen (werkwoord) |
| aanschaf | aankoop (zelfst. naamw.) koop (zelfst. naamw.) boodschap (zelfst. naamw.) acquisitie (zelfst. naamw.) aanwinst (zelfst. naamw.) aangekochte (zelfst. naamw.) verwerving (zelfst. naamw.) verkrijging (zelfst. naamw.) kopen (zelfst. naamw.) afname (zelfst. naamw.) |