| Woord | Synoniem |
| aanmerken | beschouwen (werkwoord) |
| aanmerking | afkeuring (zelfst. naamw.) bemerking (zelfst. naamw.) kritiek (zelfst. naamw.) opmerking (zelfst. naamw.) commentaar (zelfst. naamw.) |
| aanminnig | liefelijk (overig.) lieftallig (overig.) |
| aanmodderen | aanrommelen (Werkwoord) prutsen (Werkwoord) stumperen (werkwoord) rommelen (werkwoord) |
| aanmoedigen | stimuleren (Werkwoord) aansporen (Werkwoord) aanvuren (werkwoord) bemoedigen (werkwoord) bevorderen (werkwoord) toemoedigen (werkwoord) opwekken (werkwoord) oppeppen (werkwoord) bezielen (werkwoord) activeren (werkwoord) toejuichen (werkwoord) prikk (werkwoord) aanzetten (werkwoord) prikkelen (werkwoord) |
| aanmoediging | aansporing (zelfst. naamw.) stimulans (zelfst. naamw.) zegen (zelfst. naamw.) stimulering (zelfst. naamw.) prikk (zelfst. naamw.) opwekking (zelfst. naamw.) animering (zelfst. naamw.) steun (zelfst. naamw.) aansporen (zelfst. naamw.) |
| aanmonsteren | inschrijven (werkwoord) aanmelden (werkwoord) meevaren (werkwoord) |
| aanname | aanneming (zelfst. naamw.) hypothese (zelfst. naamw.) these (zelfst. naamw.) thesis (zelfst. naamw.) the (zelfst. naamw.) stelling (zelfst. naamw.) |
| aannemelijk | geldig (bijv. naamw.) plausibel (bijv. naamw.) aanvaardbaar (bijv. naamw.) acceptabel (bijv. naamw.) waarschijnlijk (bijv. naamw.) vertrouwd (bijv. naamw.) betrouwbaar (bijv. naamw.) steekhoudend (bijv. naamw.) solide (bijv. naamw.) logisch (bijv. naamw.) gegrond (bijv. naamw.) gefundeerd (bijv. naamw.) degelijk (bijv. naamw.) valide (bijv. naamw.) valabel (bijv. naamw.) geloofwaardig (bijv. naamw.) |
| aannemelijkheid | plausibiliteit (zelfst. naamw.) genoegen (zelfst. naamw.) aangename (zelfst. naamw.) waarschijnlijkheid (zelfst. naamw.) |
| aannemen | aanpakken (werkwoord) aanvaarden (werkwoord) accepteren (werkwoord) adopteren (werkwoord) geloven (werkwoord) overnemen (werkwoord) stellen (werkwoord) veronderstellen (werkwoord) vooronderstellen (zelfst. naamw.) inhuren (werkwoord) aantrekken (werkwoord) ontvangen (werkwoord) |
| aannemer | bouwondernemer (zelfst. naamw.) bouwer (zelfst. naamw.) verbouwer (zelfst. naamw.) |
| aannemersbedrijf | bouwbedrijf (zelfst. naamw.) |
| aanneming | aanname (zelfst. naamw.) adoptie (zelfst. naamw.) confirmatie (zelfst. naamw.) adopteren (zelfst. naamw.) |
| aanpak | beleid (zelfst. naamw.) benadering (zelfst. naamw.) formule (zelfst. naamw.) procédé (zelfst. naamw.) stijl (zelfst. naamw.) tactiek (zelfst. naamw.) werkwijze (zelfst. naamw.) strategie (zelfst. naamw.) wijze (zelfst. naamw.) draai (zelfst. naamw.) metho (zelfst. naamw.) werkmetho (zelfst. naamw.) arbeidsmethodiek (zelfst. naamw.) |
| aanpakken | aangrijpen (werkwoord) aannemen (werkwoord) aanvaarden (werkwoord) aanvatten (werkwoord) beginnen (werkwoord) benaderen (werkwoord) nemen (werkwoord) ondernemen (werkwoord) toetasten (werkwoord) vastpakken (werkwoord) vatten (werkwoord) beetpakken (zelfst. naamw.) toetreden (werkwoord) aanklampen (werkwoord) vastnemen (werkwoord) vastgrijpen (werkwoord) grijpen (werkwoord) beetnemen (werkwoord) beetgrijpen (werkwoord) toegrijpen (werkwoord) ingrijpen (werkwoord) |
| aanpalend | aangrenzend (bijv. naamw.) belendend (bijv. naamw.) |
| aanpasbaarheid | instelbaarheid () configureerbaarheid () flexibiliteit () overdraagbaarheid () |
| aanpassen | aangepast (werkwoord) aankunnen (werkwoord) adapteren (werkwoord) bijstellen (werkwoord) gewendraken (werkwoord) passen (werkwoord) wijzigen (werkwoord) aanbrengen (werkwoord) wennen (werkwoord) aarden (werkwoord) |
| aanpassing | verandering (Zelfst. Naamw.) bijstelling (zelfst. naamw.) adaptatie (zelfst. naamw.) |
| aanpassingsvermogen | accommodatievermogen (overig.) |
| aanplakbiljet | affiche (zelfst. naamw.) biljet (zelfst. naamw.) plakkaat (zelfst. naamw.) poster (zelfst. naamw.) |
| aanplakken | aanbrengen (werkwoord) vastplakken (werkwoord) |
| aanplakker | plakker (zelfst. naamw.) |
| aanplakzuil | reclamezuil (overig.) |