walshoutems dialect

Dialecten > Vlaams-Brabant > walshoutems
Het dialectenwoordenboek walshoutems bevat 100 gezegden, 731 woorden en 7 opmerkingen. Alle woorden zijn toegevoegd door onze bezoekers. Als iets niet klopt of ontbreekt kun je het zelf toevoegen of wijzigen. Log in of meld je daarvoor aan in de rechterkolom.

100 gezegden

Achterrem van een fietsene torpedo frain
Af en toe aanwezigPlik -plok hei
Afzienzenne peire zieng
Alleen of door toedoen van een voorwerp snelle beweging makennen allei goan / ne gank goan /de kardonse goan
Als je niet braaf bent, dan ...A dj'oeg ni vuugt, ...
Appeltaart bakkenToet bakke
Bedriegen v.b met kaartspelenfraus dong
Beklijven, aanklampen, vastklampenDje kreig ter gi verloat van
Bestraffing bij een balspelDe kardonse gon be petje rulle
Bewusteloos gevallenvan zen stekke gedreid
Bundel graselver graus
De kat heeft jongen geworpenDe kat hei gejungt/gejungerd
De kat/hond moet jongen werpende kat/hond moet jungen/jungere
De moeite waardte mûtjewêêt
De stoep moet geveegd wordenDe skalei moet gekied wodde.
De zeug moet werpende zoeg moet kudderen
Droevig klagend wenentjoele
Een kapot eiE getutst ei
Een middagdutje doen.Zenne noenestond sloape
Een scheet latenne veist loate
Een stevige middagdut gedaan hebbenEen goei ot getrokke hêmme
Een stuk spekEnne brooi spek
Een vrouw die haar hart op haar handen heeftEen goei djoeb
En nu ga je je gedragen, hé.En nà goat dje oeg vuuge, hê.
Er staat veel windHet jug hei fel
Er stil onderuit muizenskampavie speele
Geen aandacht meer geven aan iemands kwaadheidSe in heur/zen eige vet loate stoave.
Gerst oogstgasten oegst
Geschifte melkgedreize meelk
Goedhartig vrouwmensEen goei djoep
Heel veel angst hebbenDe antroase oep zè lijf hêbbe
Helemaal uitgeput zijnpoempaf zen
Het haalt niets uit't is ginne vans
Het is naar de vaantjesTes no de faradjiere
Het lot van een mensDen dy van enne mins
Het toneel is begonnende conceir ès begòs
Hij is juist weges djust eweg
Hij is slordig gekleedhe ziet er mar verhoepdjakt eit
Hoeveel zou dat wegen probeer eenmaalweivuel zo da wooge puist ne kir
Hoog van de toren blazenveul broodvet make
Iedere Belg heeft een baksteen in zijn maagIedere Bèlgsj héé enne karêêl in zènne maag
Iemand die doet alsof hij alles kandee kan rijme en dichte zonder ze gat oep te lichte
Iemand die zaagt en klaagtdjaapeine
Iemand die zaagt en klaagtSooie
Iemand met twaalf stielen en dertien ongelukkenNen trasmestie
Iemand naar de *tuut* sturenLoep no de faradjiere
iemand pijnigen met woordeniemand zen hat eitfretten
Iets snel herstelleniet rafistoleere
Ik ben voor het behouden van het Walshoutems dialectIch bîn ver 't behââd van 't plat Hotems
Ik ga een beetje rustenIch goan mich a bietje doalkappe
Ik heb buikloopIch heub den rappe - ich heub den afgank
Ik heb mij overdaanIch hûb mich vergallopêêd
Ik heb mijn voet verzwikt, verstuikt.Ich hêb menne voet ûmgeklunke.
Ik heb teveel gegetenIch zen dempig gêête
Ik moet er vandoorIch moet voetsj goan
In beweging blijvengengig blijven
In godsnaamIn gotserenaeme
In het niets vergaanakrauw dree
In het oog houdenin de mot haave
Je bent een lekkerbekdje zeit n sleimp
Je bent me er eentjedje zeit mich nogal ne kadei (volw) / ë pateike (kind)
Je hebt mij gekwets, benadeeld.Dje hêt mich in men rââpe geschete.
Je komt er goed voor (iemand die sjiek gekleed is) Amai, dje gôat zekers oep oer groot êit
Je zal luisteren of je zal wat meemakenDje moet leistere of 't zal oeren taar ni zen!
Je zou ze belonen zonder dat ze er moeite voor gedaan heeft.Dje zôat se vijf elle veur ene frank geve
Kapot maken (voorwerp) No de faradjiere huelpe
Kapot maken (voorwerp) verkammezôle
Kom binnen en ga zittenkom in en zet oech / kap oech daol
Laat het maar zijn gang goaanlaut het mar potkeire
Loop naar de duivelLoep no de faradjie
Meikevers vangen in de tuin onder de seringenboomBaloene pakke in de wermeshof onder de makrauseleer
Met een spel ex aequo spelenboef spelen
Met iemand een grap uithaleniemand ne kloewt aftrekke
Mijn sokkenMein veutsels
Naar de kapper gaan (vrouwelijk) no de krolle goan
Naast het tuinpad staat een seringenboom en daar zit een lieveheerbeestje opteige het peenke van de weremeshof stië enne makrauwzeleejr en dauwe zit ∂ pavj∂ll∂k∂ oep
ongerust zijn over ietsin zê beskeire zen
Ons Lieve Vrouw HemelvaartAus Lievrouw Half Oest
Onvast lopen t.g.v. draaierigheiddaandele
Onwel worden, bewusteloos gaanene bloedoepdrang krijgen
Oorvijg geventoeffeling dree
Pas maar op of ik ......Pas mar oep of ich zet oeg onder
slechte kwaliteitkoepkloet
Slechte pint bierverskoolt glas bier
Slordige vrouwhangbet
Snel en inspannendkatjuur geven
Tarwebloem van de zemelen schiedenbultere
Te voet veel weg afgelegd hebbenrond gedretst
Trekkar voor paarden met 2 wielenboddelkeir
Veel (overdadig) gegeten hebbenIch bin dempig gête.
Vlug een potje hoofdkaas bij de beenhouwer halenallel e pueteke huutkees bij de bienoor hoale
Waarmee moet ik je boterham smeren/beleggenBei wa moet ich oer taat plekke
Waarom ben je zo grof tegen mijVerwa zè dje zoe brûtzoadig tege mich
Water halen aan de bronWetter hoale an de bon
zak van 20 kgmelooi
Zeer snel iets doenklatjuur geeve
Zich onnozel denken om tot een oplossing te komenIch huib mich onnuzel gespékkuleid.
Zie maar dat je je gedeisd houdtZiet mar da dje oech vuugt
Ziek aan 't wordeniet an't bruu
Zo dronken als een bloedzuigerZoe zat as 'n èchel

731 woorden

A

aaienfiejste
aalbesroewj kroesel
aalbesroewj-, witte-, zwatte kroesel
aan elkaaran makaander
aanbiedenoanbieje
aaneenannieën
aangetekende briefrecommandé
aanhangwagentjekeirke
aankledenoanklieë
aankoopoankoeëp
aanmaakhoutfinkelhoot
aannaaienaonnêje
aardappelpetak
aardbeièèjdsbéér
aardbeienèèjdsbéére
aardeèèjd
aardwormpirrelink
achterbaksedoeër
achterbeen (onder) brooi
achterrem van een fietsfrain majeu van enne vélo
achtersteèchterste
acnébroebels
actief, levendig (kind) vengig
ademooësem
af en toevan teit tot teit
afdakbaar
afgegenwijd
afknijpenafpitse
afkoelenafkùùle
afranselenaftroeve
afrikaantje (bloem) stinkerke
afstoffenhêt stûp roape
aftrekkerraklet
aftroggelenafleize
afwijzenafkètse
ajuindjaan
ajuintjesdjünkes
al lopendloeëpend
allesdurverkatjeng
alsas
altijdalfoeës
anderhalfonderhalf
angstantroase
angst (vorm van) fiflain
anjerdjenoffel
appelmoesappelpruet
appelmoescompotte - prüt
appelmoespreut
appelspijspreut
armèrrem
arm schaaperm skooëp
armeèrreme
armoeèrmuu
as uit kachellaasse
Asbakcendri-jêi
autootto
avondetennoostond
azijneik

B

baal stro'n bot stroei
baardbaad
baarmoedermàtrice
babbelen (langdurig) lammeire
badkostummaillot
bakkerbèkker
baksteenkàrêêl
baksteenkariel
baleinbalèine
banaanbanàn
bandbaand
bangerikbroekskijter
bankbiljetbrifke
bankroetblut
bareelbariel
baskuulwôôg
bastaardbastáád
bebloedbeblùd
bedelaar (ster ) beddeleer, beddelos
bedevaartbêêwèg
bediendebedìnde
bedriegenbejoddele
beekbeik
beeldbieëld
beenhouwerbiënnoar
beer (varken) bier
beerputmèspoel
beestbiës
beet / hapjeboëf/ bùfke
beetjeê bikke
beetje (een ) e bikke
begevenbegêêve
begonnenbegòs
behangapiertàppisséérpapiër
behangentàppiséére
behoudbeââd
beitelbétel
bejaardaad
bejaardentehuisaad péékeshuis
bekafzonder foep
bekeuringpercès verboal
bekommerd zijnin zè beskêrre zèn
belangrijksteprincepôalste
beledigenaffronteire
beleefdbelêêf
beleggen (geld ) placéérè (geld )
belgbelgsj
bemoederenbemoeïere
benaderenkotterbij kòme
benauwdbenââd
bendenwaartsonderwêêts
benedenonder
benenbiën
benzinenaft
benzinepompnafpoemp
benzinepompnaftpoemp
bepaalde hoeveelheid (medicijn) droegge
beplantingbeplâânting
bereidgeriëd
bereidengeriëdmaake
bergachtigbèrgèchtig
bergafwaartsbergafwêêts
bergpadbergpêêngke
beroepstiel
beroertebeslag / attak
beropbergoëp
beschaamdbeskaâmp
beschadigen, verprutst, naar de `kl` geholpenvermassakreire, vermassakreit
beschimmeldbeskùmmeld
besjekrùùsèlke
beslagdiëg
besnijdenbesnêë
besprenkelenbesprìnkèle
bessenkroesels
bessengeleikroesseldjelei
bestaan / bestaatbestoan / bestïè
betaalbaarbetoalboâr
betegelde stoepskalei
betegelenbetìchèle
beterbeêter
betogenbetoëge
beukenootjebuùkeneutje
beukenschorsbuùkeskots
beursbos
bevenbibbère
bevlekkenbemasselen
bevlekken, spatten op makenbemasselen
bevuilenbegaaien
bewaarkast voor etengardmanjééke
bewusteloos gaanvan zen stekke dréé
bezembèssem
bezoekje bij een vriendalsies
bicepsforsballe
bidprentjedoëdsbilleke
bierglas 25 clkapper
bietrobieët
bijbieën
bij haar thuistuires
bij hem thuistezennes
bij hen thuistunnes
bijeenhoudenbetieënhaa
bijltjebèlke
bijnabekàns
bindenbinge
binnen enkele ogenblikkensebiet, sevves
bioscoopcinèmà
bladerenblêêër of bleur
blaffenbasse
blauwe bessendaavebeire
bloedenblùùë
bloedzuigerèchel
bloemkoolbloemkuùl
bloempjeblummeke
blootnaks
blootvoetsberrevoêts
bluffenstoeffe
bodembooïem
boekentaskalbas
boekentasmalet
boekentas op rug gedregenboetzak
boerenkar op 3 wielengàljò
boertje latenreupselen
bofboeflètte / syn. : oerlappe
bokaalbokàl
bontjaspèlsepàlto
boodschapcommïsse
boomboëm / mv.buum
boom, bomenboem, mv. buum
boomzaagdroem
boonboën
bordtaluur
borrelbak, witteke, druèppel
borstbòs
borstelbostel
borstelenbostele
borstelen, vegenkiere, - voltooid deelwoord : gekiet
boterbloempjesbotermardjènnekes
boterham; boterhammetjesné; tààt; snééke; bouterhemmeke
braakseleuvergeefsel
bradenbrooie
bramenbrèmme
brandnetelnietel - nietels
breekijzerhameêt
breienstrikke
breiwerkstrikkòòs
briefkaartposkaât
broedenbruùë
broedhenkloek
broekklembroespèlle
broerbruu
bromfietsmòttocyclet
bronbon
bronstigluûpïg
broodbroëd
broodbroet, ~ verkleinwoord : bruutje
broodjebruûdtje
brugbrük
brutaal kindsnotsnaat
buikboek
buikloopden afgang
bultboelt
burgemeestermajeur
burgerlijke begrafeniscivile begrafenis
buurtenàlsieës goan

C

carbidcarbuûr
cardigankazzekei
carnavalvierders gekleed met domino en maskermoem, mv. moemme
chagrijnige vrouwzoer praam
chaosne kloetemanswinkel
charlatantrasmestie
chloorjàvèl
chocoladechocolàt
chrysantkrysantêne
circuscirque
clitoriskieteleêr
clownkloon
comme il fautcommifaut
contactcontac
contractcontrac
cow boycoy boy

D

daardowa
dadeldad
dagbladgazét
dakdaak
dakgootcorniche
dakloosdaakloës
damesfietsvrolievélo
dank-je-welmerci
dansendaaste
danspartijbal
darmdérm
dartsvaugélepik
denkenpeize
deugnietkatjeng
diarreeafgank
dobbelsteenmahottebol
dobbelstenenmahottebollen
doenig, erfgeleeg
dom en ondoordacht handelend manspersoonwabbe
dom en ondoordacht handelend vrouwmenswooi
donderbeestjeinkbieschke
donkerdoenkel
doos, doosjedôes, duuske
draaibankriebank
drijfdraaf
duifdaaf
duikerne kikvosman
durven, (durf je dat doen ) dêêre (dêêd dje da doeng )
duwendooë

E

een zwak en mager kindjeeen malengerke
eetvorkferket
egelnen iegel
eierdopjekokketjeike
eigenlijkin de fôôn
emmer, -tjetob, tûebbeke
er genoeg van hebbenda hangt mich mën kloewte eit

F

feesten:fiejste
fietsen bagagedragerportbagasch
fietsnaafriep
fietsstuurgedoon
flaporenlotsoere
flauwekulwanne gruune
flemen, flikflooien, vleienfletsen
fluimgruechel/ fleim
fluitketelflaat muurke
fluitketelmoer
fluweel, veloursfloer
fopspeensuts
forsgebouwde mangaljaar
frou frou kapselkapulle
frutselentjippoteire

G

ganggank
gangetje, kleine gang; zijgangetjegenkskenn, zijgenkske
gebakjee pateike
gebraden appeltattepoem
gebraden appel met deegkattekop
gedurig aanaffaus
gehaast zijngepresseid zen
gehandicaptmalereus
gekkintrip
geplaveide stoepskalei
gerstgas
gestoord lopen, mopperenbrunke
gevaarlijkpreikeloes
gevelhuwaand
gichelengibbere
gipsplaoster
gistijf
gisten, rijzen, aanzwellenmeune
glijdensluddere
glimlachen (hekelend) grammiele
goedzaklaurejas
gordijnstoar; drapperie
graaggein
graangrein
graanschoven (groep van 10 rechtstaand) ne maandel
grafkelder, voor meerder personenkaveau
grofbrudzoadig
grote steenwegrut
gulzigluuch

H

haakwerkkrosjteirwerk
haar (bezitt vnw) heur
hagelenhachelle
hakenkrosjteire
handhaunt
handschoenenhââste
handvol'n haafel
harkgritsel
harkrazet
hartevreterkanjaar/ hatfretter
heelhiel
herinnerenrappeleire
hersensosse
herstellen - her-opsmukkenoepkalfaatere
hielvas
hielen / hakken, hakjesvassen - veskes
hij/zij, mvzijlings
hoeveelheid (inhoudsmaat)condingent
hoofdkaasûûtkees - ûtekees
hoogtehuugte
hooivorkriek
hotsen en botsen, stuitentoepele
houten blokkenkloempe
huilebalk (meisje) jenksmoel

I

ijspegelkiekemakaakel
ijspegelskiekemakaakels
ikich
Ik heb er genoeg vanIch heb ter men kôônt van
inhoud (hoeveelheid van iets)condingent

J

jammerentjoelen
janboelhannekesnest
jankenjenke
jaspaltau
jaszaktês
jaweltuutuu
jeukhuuksel
jezusdjuzzeke
jij, gij, je, joudjee, oeg
jong ongeduldig stout meisjene meittekoa
jong, betweterig kindkretsaap
jongetjemenneke
juistdjust
julliedjélings of oeglings
jurkkliet

K

kachelstoaf
kacheldekselkovjek
kachelpookkeuteleer
kalenderalmenak
kalfmütte
kar - karretjekeir, keirke
kastrerenbuten, (ene gebudde koâter)
katjeketteke
kattapultleipgeweir
kerskies
kersenkieze
kersenboomkiezeleer
kerstmiskosmis
kerststal't kribbeke
keu, biljart~biljaarstek
kikkerkikvos
kikkervisjeklabotskop
kind (negatief beoordeeld) junk ~ da junk hei wier iet âât gestoke
kinderenkinger
kinderfietskingervélo
kledingstuk gilletkammezool
kleine stalstelleke
kleingeestig vrouwmens voor wie niets goed genoeg isë krûtje - ë seipateike
klooien, in de zin dat het niet wil lukkenguêddere
klungelaarkoetereer
klungelenkoeteren
knieknei
knikkerne merevel - mellever
knoopknuup
knotwilgwillie
koe - koeienkoei - kaa
koffiefilter (kantoen zak in koffiepot) rampanaauw
koffielepeltjekaffieléperke
komenich koam - djee komt - hee/zei kum - weeles koame - djeeles komt - zijles koame
kookpotkastrol
koortskôtse
kop, tas, kopjedjat - e djetje - djetteke
kopje overkataboulias
korst op wondekrap
korstjeskûskes
kouwelijk, altijd koud hebben :kaarézig
krabbendàbbe -krétse
kromme voetenkroemme tjechte
kruiskrijs
kruiwagenkraawaage
krultangkrolijzer
kuisen, schoonmakenkôsjhe
kwaadspreekster /~ sprekenlagal - lagallen
kwartelkwakkel

L

laadkar voor paardengaljot
laarzenbotte
lachen, (beschaamd vals) grammiele
ladderlier
ladelooi
lammetjelemmeke / mettekau
langzaam aan, beetje bij beetjeallengskes
lantaarnlantein
lanterfantentraineire
lelijk, vervelend jochkribidi
lepelleiper
lieveheersbeestjelievevrouwbisjke
linnenlijvâât
lollye ströntje
luchtgat in schuurgeveleilekeut
luciferssoflette / syn.: stekskes
lunchennoeng ééte

M

magneet U vormtrekstoal
mandbââst
mannenfietsmansvélo
mannenklompendjefkes
marktmét
maskermoembakkes
mee-eter, acnemôôwj
meidoorn /lat.:crataeguseuilenteir
MeikeverBaloen
meikeverbaloen - vr.: kostier / m.: muelder
meiklokjemugekke
meisjemetske, gaminneke
meisje (klein, gewiekst) miemardjenneke
met hoge snelheidventelatair
midden, het middende millaand, in de millaand
miermieremet
migrainehuudzweir
mij, me, mezelfmich
miskoopkoepkloewt
moddermaus
moeder (mijn) me moeier
moeizaam lopen met kleine pasjestsjoefele
moeizaam stappentjoeffele
molenmeule
morsenbraddelen - smodderen - stotten
morsenstotten - braddele
mortelmeutel
mosterdmosstaut
motorfietsbrommer
motorvoertuigtuffer - motocyclette
muismeis

N

naaisterkostier
naar iets vragensollesteere
nadenken, naar een oplossing zoekenspikkelère, prakkazeire
namiddagnoadenoeng
narcis - ook wel hekelend woord voor een vrouwmensteilôôs
navelnagelboek
nergens - nergens meernievesni - nieverans - nergesnimie
nerveus iemandnen dreesderm
nietni
nietwaar?nowai
nieuwsgierig aagjekorjeuze snaat
nijpenpitse
nochtanspertanks
nooit / nooit meernoetni / noetnimie
noord-oostenwindbeis
norskril
notenboomneûtteleer
notitieboekjecalpinke, carnèke

O

O.C.M.W.den èrmeden èrme
ondergoedlijfhââut
onderhoudsman, van 't stad voor wegen en bermenkantenier
onderwegonderwêêge
onderzoekenvizenteren
ongedurigkarweirig
ongeveerappeupre
onmiddellijk, zonder pardondoofis doofus
onnozelloan
onnozel, lomponnuettig
onozelaarnen henne / ne wabbe
onsaus
onverzorgde vrouwveil hoep
onwel voelenaudig
oogstoest
ookoch
oorveegmot
oorvijgpandoering, toeffeling
opening - gatkuit
opgezwollenopgespütst
orgelöllieger
oud mens, vrouwelijkaa karmel
ouders, mijn ouders, uw oudersmen aas, oer aas
overuiver
overgevenspââuw
overloop trappaljei -paljeike
overschot van drankkletske
overwegden travèèr

P

paalpêteau
paardpijt
paardenbloempisbloem
pakken, in snelheid vergarenschrammateire
pantoffelssloeffe
persoon met stijf dik haarnen hoariegel
piekerenprakkezeire
pijpekrullenpappiljotte
pillamppitslamp
pinksterbloemenbeldjemiene
plagenfaredjiere
plankenvloerplanchè
plavuisplavei
politiepolis
politiepollis
poortjepostukke
populierpeüpeleer
portiepausse
postzegeltijmber
potjepeutje
potloodscherperbekmaschin
potten en pannewinkelpennelepper
preipoar
pruikpeurik
pruimpraam

R

rap, snelneig
regenen, lichte~zibbere
regenen, malse lichte mot~nuffelen, nuffel
remfrein
remmenfreineren
reutelaargroemmelpot
reutelaarprueteleer
reutelen, zeuren, zanikkenpruetele
roddelaarsterflahoêt - klappét
roddelenflahoêten
rode koolroeie kuul
roedewis
roereigeklutst ei
rolluikvole
roomzoân
roosroes
rubberkalletjoe -koutjoe
rubber schoenengalosche
ruiken - ruikt - ruikterieke - rikt - roak
ruimte waar het kaf opgeslagen wordtpulder
ruzielaggère

S

saladeslaat
samenbetien
sanceveria'svrouwlietunge
schaarskeer
schaduwloemmer
schakelleet - leten
scharen- en messenslijperskeeresliep
scheel kijkenlunsen
scheetveist - prot
schillen (ww) - de schil (znw) schelle (ww) - de schel (znw)
schoenenskôeng
schoentjesskungskes
schommelbuls
schoofschkoef
schrik hebbenontrause
schroevendraaiertoernevis
seringeboommakrauseleer
seringeboomMakroiseleer
seringenmakrauwze
sikkelziechel
slaseloat
slaag / een pakje slaagsleeg / e pekske sleeg
slaansloan
slechte eter, met lange tanden etenne kievereer, kievere
slechtgeworden drank in een glasa verschôalt glas
sledenen ijsstoel
slokkopsloekker
smeren, boterhammenplekke
sneeuwsnaa
sneeuwpopsnaaman
snelallel, vierevoets, ventelatair, algââw
snoeientjunken
snoepjemumbol - soekerbol
soeplepelsopleper
spartelenkarwikkele
speekselspiksel
speelgoed geweer met papieren rolleke met buskruitpuntjes opgamochegeweer
spijkernaagel
sprekenklappe
sproetensproetels
spruitjesruuskeskuul
stekelbespapkroesel
steunverband, windelvees
stickerplekker
stickerplekker / nen ottokollän
stoep, trottoirskalei
stoeprandborduur
stofstüep
stofjas/schortkaspusjeer - vürk
stomdronkenpoepeloere zat
stoutgastreit
stoute jongengastreiderik
stovenstauve
straksastrien - estrak
strandslipperssletse
strostroei
Strobussel die men vroeger tussen de dakpannen stak.ne weeip
struikelendjoebbele
stuk makenverdistruweire
stuk maken, onvrijwilligvergaspiejeren
stukadoorplekker
suikersoeker
suikerbietsoekerrobbiet

T

taartvloai
tarweterf
tegeltichel
tegelleggerticheleer
tegendraads persooneuverèkse
tegenwoordigalleweil
thuisteis
timmerennichele
toch niettuu ni
toiletpapierhûskespapier
tomatentomatte
traktortrakteur
treinsporenrellen
treuzelen met etenkievere
treuzelen, niet verder doentemmele, lammetère
treuzelen, niet verder doentemmele, lanterfante, terluure
tuinwermeshof
tuinpadpeenke
tuinpoortjepostukke
tweestijlige meidoorn bessenspikke
twijgen (samengebonden, dienend als brandhout voor een fornuis) mutskaa

U

uit de wind / geluwgelààuw
uw (ev) - uw (mv) oer -oerlingze

V

vaarsveis
vader (mijn) me voaar
vals spelenfoesjele / freis doeng
valsspelerfoesjeleer /freise-neer
varkenverreke
varkensbigkurre / kudde
varkensgehaktverrekesgekap
vaststellenconstatere
vensterluikplaffetuur
vensterluikje, doorgeefluikje (postkantoor) kichet
ventielsoepap
verderwedder
vergissenverdoule
verkering hebbenkarreseire, verkiere
verkreukenveroempele
verprutsenverravadjère, verdistruwère
versvos
Vervelenambêteire
vervelend huilen uit ongenoegengrinse
verwardverweit
verwarmenverwerreme
verwonden - kwetsenblesseire
vinden - Ik heb gevondenvinge - Ich huib gevonge
viooltjefletterke
vleienfletse
vleierfletskous
vlekken makenbemasselen
vlierbessenstruikuilénteer
vlinderpiepel
vlug, snel (in de betekenis om nog vlug iets te doen) allel
vochtigklamp, wak
vogeltjeveûgelke
voordeur raampjevinket
voormiddagveudenoeng
voorschoot, schortvuerk
voortdurend herhaaldelijkafoos
vreemdvrumt / vrums
vroedvrouwwijzevrouw
vrouw die haar huis niet schoonmaaktveil krap
vrouwmens, dom en aanstellerigwooi
vrouwmens, onnozel ~tjaapain, een kwakkel
vuil mannelijk iemandpottefair
vuil vrouwelijk iemandplamoster

W

w.c.; wc't hûske, het gemak
waarmoew
waaromverwa, moeveur
wafelwaffel, - verkleinw.: weffelke
wandelenprommeneire
wandelstokkreukstek
wanorde :vivarie
warboelkarabistoei
warmwerem
washokkabblui
wat een + (zelst nw) wanne
waterwetter
waterkerscresson
wcpapierhûskespapier
weduweweef
weduwnaarweiveneer
weegschaalwoog - baskul
weggooienwegsmijte
welkewaffer
wenen, schreienjenke, tjoele
weten - wist je dat nietwiete - wisdje da ni
wielroat
wielrennersfietscoursveilo
wijwélings
wilde narcistyloos
wispelturig, nerveus, niet kunnen stilzittenkarweirig
wond verbandvees
worstelenwospele
wortelenpoete, verkleinwoord: puutjes
wortelenstampotpoetestoemp
wroetenvruutele
wuivensaluweire

Z

zaagzeeg
zadelzoal
zak bloemmelooi
zakdoektesnuisdoek
zeiszeisem
zenuwachtig, onrustigkarweirig
zetpil, suppositoirstûpke
zeugzoeg
zij, meerv.vorm om de groep te benadrukkenzijlings
zoetwaterkreeftjebonzeugske
zoomzuum
zoutzaat
zuigen opsutse
zure glimlachgrammiele
zurkelcerelle
zurkelcerellen
zwaluwzwellever
zwemmenzwummen
zwoerdzwaag

7 opmerkingen

  1. Dat heeft ze goed gedaan. Da hijse goed gedoan.
  2. De w.c. 's bevonden zich vroeger niet in de woning zelf maar in een afzonderlijk hokje buiten ('t hüske -huisje)
  3. Nostalgie: vrugger ginge we kikvosse en salamanders pakke in de zavelkeil an't hoebroek en we spêlde in piercosbos. En we ginge wâândele tot an't wetterhââzeke oep stueps en an de laôzerij liedde we bê den otto rije.
  4. Spijtig dat onze vlaamse dialecten verdwijnen. Waarom moet het nu allemaal abn zijn.
    Dat sappig dialect is toch fantastisch.
  5. Vaak ontstaat samentrekking van het ww en het vnw wanneer het vnw het ww volgt.
    Heb je de dieren al eten gegeven - Hedje de bieste al eete gegeeve
  6. andere samentrekkingen
    Ik heb het hem gegeven. Ich hebetem gegeeve.
    Heeft hij dat al gedaan? Hijterda al gedoan?
    Geloof je niet dat hij gevallen is? Geluufdje ni dater gevallenes?
  7. screume - Houtems volksspel. Gespannen koordje waar men vanop een afstand van +/- 5m ver, kwartcenten naartoe gooiden. Degene die het dichts bij de lijn gooide won de pot.