Tilburgs dialect

Tilburgs wordt gesproken in Tienen

Dialecten > > Tilburgs
Het dialectenwoordenboek Tilburgs bevat 894 gezegden, 6685 woorden en 5 opmerkingen. Alle woorden zijn toegevoegd door onze bezoekers. Als iets niet klopt of ontbreekt kun je het zelf toevoegen of wijzigen. Log in of meld je daarvoor aan in de rechterkolom.


6685 woorden (p.2/2)

R

ruïneren, verpesten, doen mislukkenverballemonde, verbèllemonde
ruitenrèùte
ruitenaasrèùtenaos
ruiterrèùter
rustig, kalm, langzaamopstaoj
ruw, lomp persoonraawdaaw
ruw, onzindelijkraaw
ruwenraawe
ruwheidraaweghèd
ruwwegteraawste
ruzie makenhaorplukke
ruziënhòrzakke

S

sabbelen, zuigenzabbere, zabbele
salmiakpoeder (snoep) joo depeeper
salmiakpoeder (snoep) snuf
samensaome
samenspannenkonkelefoeze
samenstellingsaomestèlling
samiaksnuf
savooienkoolsevôoj
savooikoolsevôojkes
schaamhaarunnu bussel strooi
schaamteschòmte
schaapschaop
schaapjeschòpke
schaarschèèr
schaarknipschèèr
schaatsenschôtsen
schaatsenschòtse
schaatsenrijderschòtserijer
schadeschaoj
schadelijkschaojlek
schandeschaant
schandeschaand
schapenschaopkes
scharestrêûp
scharenschèère
scharenslijperschèèresliep
scharminkelschabbernak
scharrelaartèùtelèèr
scharrelaarster, vrouw die altijd op koopjes uit istèùnèkster
scheefschèèl
scheef, fout, erg, niet in orde, slimslim
scheelschèèl
scheel kijken, loensenblomzuut kèèke
scheermesschaors
scheet latenruften
scheidenschaaje
scheiding in het haarlèùzepadje
scheiding in het haarschaaj
scheldenschènen
scheldenschèène
scheldnaampèèrdepiel
scheldnaam voor een Hollanderkèèskop
scheldwoord voor een roodharigeblaawe
schele mutsschèlen bats
schelen, verschillenschille, (schouw, geschouwe)
schelm, kwajongenopn eukerke
scheluwschèèl
schemerenschiemere
schepschoep
scherenschèère
scherpschèèrp
scheurmikschurmik
scheutjeschutje
schijnbaar toevalligkwansèùs
schijnheiligschèènhèlleg
schijnheiligefòllievaawer
schijnheiligehèlleg vat
schilderenvèèreve
schillenschèlle
schilmesjeschèlmiske
schimschiem
schimmelplekkenpoeskes
schoenmakersleestlist
schoenpoetsblinksmèèr
schoentjeschuuntje
schoenveternissel
schoenvetersnissels
SchoepEnne schet wa poepmee kom
schooierschobber
schoonkèùs
schoonzèùver
schoonmaakschomaok
schoonmakenschonmaoken
schoonmakenopdoen
schoonmakenaafdoen, afdoen
schoonmaken, vegen, kerenkêere
schoonmaker van de ketel van een stoommachine, ketelboenerkeetelbuuner, keetelbuunder
schoorsteenschaaw
schoorsteen, rookkanaalpèèp
schootsafstand, werp-afstand, niet ver van hierbòlscheut
schop, spa (de) schuup
schop, trapschup
schopjeschuupke
Schoppen (kaart) Schuppe
schoppen (kaartkleur) schuppes
schoppen, trappenschuppe
schotscheut
schot van een kruiwagenbèrd
schouderschaawer
schouderdoek, omslagdoekneudoek
schouwschaaw
schraalschraol
schrander, pienterrap
schreeuwenkwèèke
schreeuwenkwijken
schreeuwen, hard roepenkwèèke, (kwêek, gekweeke)
schreeuwer, schreeuwlelijk, huilebalkkwèèkerd
schrijvenschrèève
schrikken, verschrikkenverschiete
schrob bezemluiwoagen
schrobbelaar, textielarbeiderschrobbelèèr
schroefjeschruufke
schrokop, snelle eter, geldverkwisterdurjaoger
schuddenhussele
schuddenrussele
schuddenrutsele
schuifschèùf
schuifdeurenschèùfdeure
schuifelensjoefele
schuilenschèùle
schuimschèùm
schuim (o.a. op een paardenmond) broes
schuinensgive
schuivenschèùve
schuren met puimsteen (ww) pööme
schurftkrèts, schurreft
schurftig hoofdklètskòp
schuttingschaansmuur
schuttingschaans
schuurschop
schuur't schop
schuur (in de achtertuin) 't schop
schuurtjeschöpke
secuurpriegel
secuur persoon, pietje preciesunne zeekere
sedertsèns
seizoen, jaargetijdejòrgetij, jòrgetèèj
serieusmèènes
serieusernstig
serieus doorwerken (Fr:mentionner) mènsie maoke
serieus?dè mende nie!
seringen kruidnagelkröötnaogel, krötnaogel
serveersteropdienster
serviesgoedgelaajgoed
serviezen, aardewerkgelaajgoed
ShaamlipKaantlel
shaggie, zelfgerolde sigaretsjèkske
Shetland ponyponniepèrdje
shetland wollen sokkensjèt sòkke
sigaarsegaar
sigarenmakersegaarefrutter
sigaretgaratje
sigaretsafske
sigaretje rollenun sjekske draaie
sijs (Carduelis spinus) èlzesèèsje
simpelmenskedutske
sinaasappelappelesien
sinaasappelnappelsien
sinaasappelkistjeappelsienekiesje
sindssèns
sinds kortunnen blaawe mòndag
sint-juttemis, nooitpielepaose
SinterklaasSienereklaos
sinterklaassiendereklaos
sinterklaassinnereklaos
sinterklaas inkopen doenklotteren
sinterklaas inkopen doenklòttere
sjaal, dasdaas
sjaaltjedèske
sjalotselòt
skeletgeròmte
slaslaoj
Sla met ei, ui & aardappellensloai meej aai meej juin meej eerpel
slaagpriegel
slaagpeut
slaag krijgenpitte beure
slaag krijgenpeut beuren
slaag krijgenpeut beure
slaag, mep, aantalroefel
slaag, pakslaagslaog
slaanslaon, (sloeg, geslaon)
slaan, vluchtenpèère
slaapkamerslòpkaomer
slaapmutsklapmuts
slaapplaatsiepert, uupert
slachtafvallôos
slachthuisabbetwaar
slagen, succes hebbenbrôoje
slagerbêenhaawer
slagerslachter
slagerijbêenhaawerej
slangetjeslèngske
slap kopje theekupke slootwoater
slapenslaope
slappe juslewaajsaus, lawaajsaws
slappe koffiesloeber
slappe koffie of theeloerie
slappe limonade, slappe ranjazuurkesnat
slappe saus, dunne jus, jus v/h water waarin de aardappels gekookt zijnlawaajsaws
slappe theeölezèèk, èùlezèèk
slechtkaoj
slechtkaod
slechtslèècht
slecht gras (wat de koeien niet vreten) blòtsel
slecht hout, brandhoutwaajbôomehout
slecht humeursjagrèèn
slecht uitziend, slechte kwaliteit, niet veel zaakslabberdepoepie
slecht van gewetenlòs van kòp
slecht weergin weer
slecht werk, half werkhalleven bak
slecht, sluw, kwaadaardigont
slechtekaoj (e)
slechte aardappelenvèèrekesèèrepel, kuusèèrepel
slechte aardappelen, kapotkokersmatsers
slechte eterpits (er)
slechte kaartentòdde van kaorte
slechte kwaliteit shagBèlzesjèk
slechte kwaliteit shag, bijeengegraaide tabak van peukenbuksjèk
slechte tabakflöör de matràs
slechtziende ogensoepôoge
slepen, dribbelen, pingelenslèèpe, (slèpte, geslèpt)
slijmerd, huichelaarkwèèlebalk
slijpenslèèpe, (slêep, gesleepe)
slijpsteenslèpstêen
slingerenzwallekû
slipjas (Fr: pet en l'air) pietelèèr (vkw pietelèrke)
slipjas, pandjesjaskredietjas
sloddervos, iemand die het niet zo nauw neemtraawdaawer
sloeriefakkedoelie
sloerietadderak
slokjekwèlleke
slome vrouwdutsel
slons, sletslòdder
slonzig gekleedop zen gieltjes
slonzige huisvrouwvöl poetje
sloom persoon (Fr: retirer) rèttereur
sloom, slepend, lijziglèèsèèchteg
slootlôop
slordig huishoudenraaw ketier
slordig menssloerie
sluitring (Fr: revêtir) revèt
slungelige, magere benenslaojbêene
sluwerik, linkbal, geslepen vos, lijperdlèèpôog
smakensmaoke
smakkenskweezen
smal trottoir, stoepje, opstapjestuupke
smeerlapsmèrlap
smeken, bidden, bedelenpèrmetêere
smerig /vies mensplöddeke
smerige bedriegervals plöddeke
smerige/vieze bezigheden doenplöddere
smoesjeötmaok, èùtmaok
smoesje, kwinkslag, drukte, herrie, kabaalgatslag
smoesje, verhaaltjemissezin
snack barfriet boer
snack barvet tempel
snackbarfrituur
snackshopfriet zaok, d'n frituur
sneeuwsneuw
sneeuwensneuwe (ut sneut, snuwde, heej gesnuwd)
sneeuwpopsneuman
snelgaaw, gaa
snel handelen, snel, nerveus of bedrijvig iets doen of ergens heen gaanritse
snel vandoorgaantussenèùtpèère
snel, schrokkerig etenverdèstruuweere
snel, vlugjes, overhaast (en dat tevens nonchalant, zonder aandacht) hapsnap
snelle startramscheut
snelle werkster, vrouw die alles heel vlug doetrits
snelwerkende fijnspinmachine (textiel) ringspinmesjien
snijbonensnijbontjes
snijworstsesies
snijworstsesieswòrst
snijworstsisi worst
snikheetsnikkendhêet
snoepgoed van gesmolten gekarameliseerde suikerteejbròkke
snoepjesnuupke
snoepjessnuupkus
snoepjessnuupkes
snoeplustsnoeptaand
snoeptand, lekkertandlèkkertjestaand
snorretje, moustachenondejuuke
snuiftabaksnuf
snuiten, neussnuitensnutte
snuitjesnötje
snuiven, snuffelensnuffe
sober of karig ietskòlloosieke
socialistrôoje
sodemieter, donderklôot (op zèn klôote krèège)
soepsloeber
soezen, suffendutsele
soldaatsoldoat
soldaatsudotje
soldatenschoenenkiesjes, legerkiesjes
solution ( bandenplakmiddel)seluusie, sluusie
sommigesommigte
sommigesommegte
somssomwèèle
somssewèèle
somtijdssomwèèle
somtijdssewèèle
somtijds, zo nu en dansomtèds
somtijds, zo nu en dansemènketije
soort vansortemènt
spaarpotspòrspòt
spadeschoep
spagaatmikval
spaken (v/h fietswiel) spaoke, spêeke
spannen, heftig toegaankrulle
spannen, nijpen, erop aankomennaawe
sparenspaore
spataderblaawscheut
spatbord (v.e.fiets) slèkbòrd
spatie, ruimtespaosie
spatten, spetterenjiepe
speciale markt voor sinterklaasinkopen doen, St. Nicolaasmarktklòttermèrt
speculaasspeklaosie
speculaasspeklaasie
speculaas (je), speculaaspopspikmènneke
speculaas (je), speculaaspopspeklaosiepop
speculaasjespeklaosiemènneke
speculaasjesspeklaosies
speculaaspopsp'klaossiemenneke
speeksel, spuugspiers
speelgoed karbôlder kêr
speelkaartenkaorte
speelkaartenkaorde
speelkaarten zonder plaatjesleege kaorte
speelplaatsspulplòts
speeltuinspultèùn
speen, tuitjefiep
speenvarkenkuuske
spekpannenkoekspèkstrèùf
spelbreuk, spelonderbrekingbrèkspel
speld, dennennaaldspèl
speldenspèlle
speldenkussenkussespèlleke
spelenspeuluh
spelenspeule, (spult, spulde, gespuld)
spermatift
spermavlekkaole boer
sperwerklampert
sperwerklamper
spiegeleitiet-aai
spijbelenscholtjematte
spijkerspèèker
spijkernaogel
spijlenspèèle
spijtspèèt
spinaziespenozzie
spinnerdraojmaoker
spitten, scheppenspaoje
splinternieuwfonkelnuut
sponningrebat
spotnaam voor een nonnonnepreut
spotvogel (Hippolais ict erina) kakkeluutje
spreispraaj
spreken, pratenpraote, (tt pròt, vt pròtte)
spruitje (groente) sprötje
spugenspiersen
spugen, brakenspouwe
spuuglap, morsdoekzêeverlap
spuwenspierse
spuwen, spugenkitse
St. Hubertusbroodjeshèùpebrôojkes
St. Hubertusbroodjeshèùpkes
St. Hubertusbroodjeshuupkes
staakstaok
staanstaon (ston (d), gestaon)
staandstòndebêens, stòndebins
staartstèrt
staart afknottenblòkstarte
staartmees (Aegithalus caudatus) hangstèrtje
stamlokaal, kroeg, caféstamineeke, stameneeke
stamppot (Fr: potage), natte stamppot, soeppetòzzie
stamppot boerenkoolgruunstaamp
stamppot kelenkiltjesstamp
stamppot van appelmoes (appels) en aardappelshêeten bliksem
standbeeldstanbild
standpunt (Fr: point d'honneur), iemand die op zijn eer gesteld isponteneur
stapelhôop
stapeltaas
stapelen, opstapelentaase
statiegeld flessenstâagèld
steeds eigenbelang nastrevendintersaant
steeds wederkerende handelingreutel
steeds, stads, deftigstads
steeltjestiltje
steenkaai
steenpuiststinpöst
steentjesstintjes
steentjes keilenstintjekètse
steenuil (Athene noctua) hööpke
stelengappen
stelenbietsen
stelenschoepe
stellig, zeker, pertinentpèrtienes
stenenkaaje
stenen van oud cement ontdoenstintjesbikke
stengel, rank, takrangel
StepAffaseerplenkske
steprolplenkske
stepavanceerplènkske
steptolplenkske
step op smalle luchtbandenglèjer
sterkdriedraods
sterk - typischkasjuweel
sterk, ongelooflijkstèèrk
sterk, vasthoudendkneu kelvaast
sterke kerelmènnekesputter
sterkersstèèrekers
stervenstèèreve
steunbalkschoorbalk
stevig poetsenrösse
stiekem, geniepig, heimelijk, achterbaksâachterdèùms
stijfstèèf
stil evenBakkus houwe
stilstaanhoowhaawe
stilstaan (voermannentaal) huuj
stinkenjèùne
stinken, winden latenjööne
stoeipoes, kind dat aangehaald en verwend wordthaffelkatje, haffelkètje
stoelgangafgang
stoelgang hebbenafgaon
stoeltjestuultje
StoepKaaiband
stoeprandkaajbaand
stoeprandkaaiband
stoeprandkaaibaand
stoeprand, trottoirbandkaajbaand
stoeprandenkaaibaande
stoeptegelkaibaan
stoetopstoet
stoethaspelbraojer
stoethaspel, onhandig iemandmiemèùkel, miemöökel
stofstobber
stof doen opwaaienstobbere
stoffer en blikblèk èn vèèger
stofsneeuwgriezel
stoken, opstoken, aanzettensteuke
stolp, glazen omhulselstölp
stolpenstöllepe
stomdronkenafgelaoje
stomdronkenladderzat
stomdronken, suflaplaazerus, laplaazeres
stomme zooivuile méuk!!
stommeling, sufferd, uilskuikengaoperd
stoofpeertjesstôofpirkes
stoomcarrouselstôomkarresèl
stoppelknolzaadgruunzaot
stoppenhoowhaawe
stoppenhuuhaawe
stoppenèùtschaaje
stoppen, ophoudenophaawe
storm met veel regen en windbaomes
stoten van kinderhoofdjeboetsebòlle
stotterenhakkele
stouwen, stuwenstaawe
straaljagerstrôljôger
straatstraot
straathondjoekel
straatjestròtje
straatjoekelkaajbaanderas
straatjoekeltjestraotjoekeltje
straattaalpraot van de straot
straf, kwelling (Fr: persécution) pèrsekuusie
strakszubiet
stratenmakerkaajlègger
stratenmakerkaajbuuter
streepstripke
strooisel, droge bladeren, dennennaalden, losse turfstrossel
stroomillektriek
stroopsoldaatjestroopsoldòtje
strootjetrekkensprietjetrèkke
stropdasplàstròn
stropdaskravàt
stropermoeskòp
struikelenstölpere
struise vrouwmeulepèrd
struise vrouwmeulepèèrd, meulepèrd
studentenkamerstudiekòt
stuifzandstèùfzaand, stööfzaand
stuipstèùp
stuiptrekken, uitgeschakeld, hulpeloos zijnlèllepôote
stuiverstèùver
stukkeduuk
stukkepòt
stuk, kapot, doodkapoerewiets
stukgaankraoke
stukje papierpepierke, pampierke,
stukje, snoepjebrökske
stukken, scherven, aan gruisgriezelemènte
stukkendroger, bediener v.d. droogmachine (textielindustrie) drêûger
stuntelaar, verveeloorklôojôow
stuntelenklaoze
su kkelenpratte
sudderendèddere
suf, afwezig, sloomdeuzeg
suffen, onoplettend zijngòlliepaope, (tt gòlliepòpt)
sufferdgòlliepaop
sufferdkoekerd
sufferdtaotòlf, tòtòlf
sufferd, dromeròrtestiesje
sufferd, iemand die niet goed wijs islaawe
suikersèùker
suikersööker
suikerbietensèùkerpeeje
suikerbroodje, bolusplèkdròl, plèkbrôojke
suizenhoeme
suk keldrafjekiepedrèfke
suldookus
suldook
surprisesepries
swingen (hot jazz) hòtjèsse

T

taaltaol
taaltoal
taaltjetòltje
taartvlaai
tabakspruimtebaksprèùm, tebaksprööm
tachtigtaageteg
tachtigtaggenteg
tadderaktaderak
tafeltòffel
tafelkleedtòffelklêed
tafelkleedtoffelkleeke
tafelkleed, olalalala ook iets van het vrouwelijke lichaamklitje
tafelladetòffellaoj
tafelladetòffelschèùf
tafelpoottòffelpôot
takkenbos, mutsaard, mutserdmusterd
takkenbossenmusterds
talent, aanlegònlèg
tam (dieren), braaf, sullig (mensen) zêeg
tamelijkrèùm
tand, kiestaand
tandartssmoelsmiet
tandartssmoelsmid
tandenspirelle
tandentaande
tandenstokertáánthout
tantetaante
Tante AnnaTaantanna
tante in het kloostertaante nonneke
tapkast in het cafétôog
tarwetèèrf
tarwebloem, patentbloemgeblikten blom
tasjetèske
tattoeageplekplotje
te bont makenbröön bakke
te duurte köstelek
te goeder trouwte goejertraaw
te voetlôopes
te voetschoemaokerstram
te voet gaanmeej du beenewoage
teelbal, klootklôot (mv klôote, vkw klotje, klutje)
teelttult
tegelijkertijdèffegetèèj
tegelijkertijdmeepesaant
tegelijkertijdmeejpesaant, impesaant
tegelijkertijdmeejpesaant
tegelijkertijdampesant/meepesaant
tegelijkertijdtemeej
tegelijkertijd, terloops (Fr: en passant) impesaant, meejpesaant
tegenteegen
tegen je enkels schoppenhòrènkele
tegenaanteegenaon
tegenoverteegenoover
tegenwoordigteeges
tegenwoordigteegesworreg
tegenwoordig, nuteegesworreg
teiltèèl
telen, kweken, verbouwenteule, (tult, tulde)
televisiekèèkkasje
televisietillevisie
telkenstellekes
telkens weergeduureg
telkens weeroppernuut
telkens weeroppenuut
ten eersteirstes
ten goede veranderengebeetere
ten hoogste, hoogstens, hooguithôogèùt
ten naaste bij, ongeveer, zowatte raawste
ten slotteteliste
ten tweede, op de tweede plaatstwiddes, twids
tenentêene
tengelskleviere
tepelsmèmme
terechtterèèchte
terechtkomenterèèchtekoome
teren, verteren, feestvierentèère
terloopsmeepesaant
terloops, op zijn gemaklochjeswèg
terloops, tegelijkertijd (Fr: en passant) meejpesaant, impesaant
terugtrug
terug, voorheenhèr
terughalentrughaole
terwijlswels
terwijlswèlsdè
testamenttèstemènt
teugelslaajsel
tevensmeejpesaant
tevensimpesaant
tevredengelukkeg
textiel afnemerdippeljeur
textiel machine om te drogendrêûgmesjien
theeteej
thermosflesisolêerflès
thuistèùs
thuis bij emmathôs bij emma
thuisblijventösblèève
thuiskomentöskoome
thuislatentöslaote
thuiswevertèùswèèver
tierensnòbbe èn snaawe
tijdtèèd
tijdens het praten doorwerkenpraote en braaje
tijdigbetèts
tijdjetèdje
Tilburgde schonste stad van et laand
TilburgTilbörg
Tilburg (Carnavalsnaam) Krèùkestad, Kröökestad
TilburgerKruikenzeiker
TilburgerKrèùkezèèker, Kröökezèèker
tilburgertilbörger
Tilburger van bezuiden de spoorlijn (opmerking 5), stadsekaajbuuter (opmerking 5)
Tilburgers ten noorden van de spoorlijn.Törke
Tilburgs hondenraskaajbaanderas
Tilburgse kruidenlikeurSchrobbelèr
tilburgse papLuiwèèvepap
timmerentimmere
tintèn
tobberdaawesòpper (t)
toegerustingespanne
toerustenötzakke, èùtzakke
toevalstreffer, gelukscarambole, toverbalun zwèntje
tofgèèf
toffe kerelgaawe gaast
toffeebròk, (vkw brökske)
toiletschéthús
toilet papierschétpepier
toilet, wcschèèthèùs
toilet, wcgemak
toilet, wc, pleehöske
toiletborstel, closetborstel, wc-borstel, pleeborstelpleejbòrsel
toileterenNaor oew èèguh guzèik lùsteruh
tollen met een zweepjehaktolle
tong zoenenplekken
tong zoenentungske vrijen
TongzoenenTungske vrijen
tongzoenen, kussen, vrijenplèkke
tonprater (carnaval) leuterèèr
torenvalk (Falco tinnunculus) bidder
tornentòrre
tornen, losmaken, naad lossnijdenlòstòrre
tottoe
tot kijks maar weer.houdoe en saluutjes
tot zienshalleeej
tot ziensAlaaf
tot zienshoudoe
tot ziens (eigenlijk: hou je goed), vaarwelhaaw-d-oe, haawdoe, houdoe
totaalhillemaol
totaalhimmòl
totaalvierkaant
totaal aan wat men gedronken en/of genuttigd heeft in een café of restaurantvertèèr
totaal van de wereld zijnjantjemerienes zijn
totdattoedè
totdattoedègge
totdattoedèttie
toverbaltôoverbòl
traantraon
tractortrekker
traditionele feestdag v.h.gilde, teerdagtèèrdag
traktement, zakgeldtrèktemènt
trapje, laddertjelirke
trapperhefboom bij fiets (Eng: crank) krènk
trapperhefboomborgpenkrènkspie
trappistenbierpaotersbier
treiteren, pesten, vervelend doenèttere
trekstrengen van een karhaacht
treuzelaarsèmmelklôot
treuzelaarsemmelèèr
treuzelensemmele
treuzelensemmelen
treuzelensaansele
treuzelen, rekken, vertragenlèètere
treuzelende vrouwsèmmeltrien
treuzelende vrouwsèmmel
trillenrèère
troep kinderenklocht kènder
troep kinderenstrêûp
trosjetruske
trotsfrêet
trotsfier
trots, parmantig, deftigvrêet, frêet
trottoirstoep
trottoirstuupke
trottoirbandkaaiband
trottoirbandkaaibaand
trouw blijven aan je principesoewe pôot stèèf haawe
trui, pulloverpull
trut, zeurzèèkmie
try outsperbeersels
tuberculosetèrring
tuintèùn
tuin boonknauw boon/boere teene
tuin, hofhòf, (vkw höfke)
tuinanjersnoffel
tuinbonenboeretêene
tuinbonenknaawbôone
tuinbonenlabbôone
tuinboonknauwboon
tuinboonlapbôon
tuinfluiter (Sylvia borin) brèmkwèt
tuingereitèùngeraaj
tuinharkgriezel
tuinierenheuve
tuinpad, achteromhòfpad, hòfpat
tuinschaartèùnschèèr
tuintjetöntje
turftörf
twee2 tweej
tweetweej
twee verschillendetwidderaander
twee verschillende soortentwidderaande
tweedetwidde/twiddes
tweede grasoogst in de nazomertoemaot, toemèt
tweejarig paardboenter
tweelingtwilling
twernertwènner
twijgje, lange dunne takzwiemke
twijnen, twernen, garen dubbelentwèène, twènne

U

uoe
Udenhoutd'n Unent
Udenhoutden Uunent
uijuin
uijèùn
uiajuin
ui (en), ajuin (en) jèùn, jöön (vkw jöntje, jèùntje)
ui, ajuinjöön
uienjèùn, jöön
uienschoemaokersspèk
uierööjer, öör
uieröör
uilööl (vkw öltje), èùl (vkw èùltje)
uilskuikengoallipoap
uitèùt
uitöt, ööt, èùt
uitööt, öt, èùt
uit alle macht, dwingendmeej duuvelsgewèld
uit de mode zijn, dood zijnöt de tèèt zèèn, èùt de tèèt zèèn
uit de naadschompes
uitbreidenötbraaje, èùtbraaje
uitdruipenötdröppele, èùtdröppele
uitdruipenötdrööpe, èùtdrööpe, èùtdrèùpe
uiteenvallen, uit elkaar vallenötêenvalle, èùtêenvalle
uiteindeötènde, èùtènde
uiteindelijkteliste
uiterlijk, voorkomenprizzentaosie, prissentaosie
Uiterste StuiverÈùterste Stèùver
uitgaanrêepe
uitgaantoerlezjoere
uitgaanötgaon, èùtgaon
uitgaan, het er goed van nemen, de fijne meneer spelenlimmenêere
uitgaander, levensgenieterbezjoerder
uitgaansavond voor het jonge volkrêepaovond
uitgaansdagötgònsdag, èùtgònsdag, ötgaonsdag, èùtgaonsdag
uitgebakken spekkaojkes
uitgebakken spekjeskaojkes
uitgegledenötgegleeje, èùtgegleeje
uitgekookt iemand, gewiekste knaap, linkmiegellinkmiechel
uitgelootötgelooterd, èùtgelooterd
uitgepraatötgeleuterd, èùtgeleuterd
uitgeputtèène
uitgestalde, geëtaleerdeötgepakt, èùtgepakt
uitglijdenötglèèje, èùtglèèje
uitglijdenötschèùve, èùtschèùve
uithalenöthaole, èùthaole
uithijgen, met de mond bewasemenhööge
uithorenhèlôore
uithoudenkêere
uithoudenöthaawe, èùthaawe
uitjesjöntjes
uitjouwenötsliepe, èùtsliepe
uitkijkenötkèèke, èùtkèèke
uitkledenötkleeje, èùtkleeje
uitkloppenötstobbere, èùtstobbere
uitkomenötkoome, èùtkoome
uitkruienötkrööje, èùtkrèùje
uitlaatötlaot, èùtlaot, knalpèèp
uitlachen, bespotten door met de wijsvingers over elkaar te strijkenötsliepe, èùtsliepe
uitleggen, verklaren, uitduidenötdööje, èùtdööje
uitlenenötlêene, èùtlêene
uitlotenötlootere, èùtlootere
uitnodigenverzuuke
uitnodigenötnôoje, èùtnôoje
uitpakkenötpakke, èùtpakke
uitpratenötpraote, èùtpraote
uitrafelenötrèffele, èùtrèffele
uitreikenötrèèke, èùtrèèke (tt ötrèkt, èùtrèkt)
uitrekenenötreekene, èùtreekene
uitrekkenlèèpere
uitroep van ongeloofgaowèg
uitroep van verbazing, van pijn of teleurstellingamaaj
uitscheldenötschèène, èùtschèène
uitschotrögt
uitschrapenötschèère, èùtschèère
uitschuiven, uitglijden, bot vangen, achter het net vissenötschööve, èùtschööve, ötschèùve, èùtschèùve
uitslagötslag, èùtslag
uitslagötsleutel, èùtsleutel
uitslag, antwoordötslötsel, ötsleutel, èùtslötsel, èùtsleutel
uitsmerenötsmèère, èùtsmèère
uitsmijterbèùtewipper, klêerkâast, klirkâast
uitsmijterklêerkâast, bèùtewipper, klirkâast
uitspokenötzètte, èùtzètte
uitspreidenötspraaje, èùtspraaje
uitstakötstôok, èùtstôok
uittrekkenöttrèkke, èùttrèkke
uitvaartötvòrt, èùtvòrt
uitvindenötvèène, èùtvèène
uitvinderötvèèner, èùtvèèner
uitvlakken, niet vergeten,, erg in hebbenötboezeroene, èùtboezeroene
uitvlucht, smoesjeötdeur, èùtdeur, ötteur, èùtteur
uitvlucht, smoesjeötteur, ötdeur, èùtteur, èùtdeur
uitwisselentèùtele
uitzetötzèt, èùtzèt
uitzettenötzètte, èùtzètte
uitzoekenötzuuke, èùtzuuke
uitzoeken, uitpluizenötvundere, èùtvundere
uitzonderingötzundering, èùtzundering
unster, handweegschaalöster
urine, zeikzèèk
urinerenpisse
urineren, zeiken, pissen, plassen, piessenzèèke
uwoew

V

vaakdikkéls
vaak, dikwijlsdikkels
vaandelvaon
vaasfaos
vaasvaos
vaatdoekschooteldoek (vkw schootelduukske)
vaatdoekschooteldoek
vaatdoekskotteldoek
vaatdoekschoteldoek
vaatdoek, scheldwoord voor een lichtzinnige vrouwschootelvòd
vaatdoek, scheldwoord voor een lichtzinnige vrouwschootelslèt
vaderaawe
vaderpaa
vadervadder
vak, beroep, baan, stijlstiel
vakantievekaansie
vakantievekaasie
vakerdikkelder
valhelmbutsmuts, botsmuts
vallenklèttere
vallenklòttere
vals muntjeblekke mientje
vals spelengieleke
vals spelen bij kaartenfoezele
vals, gemeen, laag, erggemèèn (gemènder, gemènst - gemener, gemeenst)
vanaaf
van alle markten thuisdiekomsa
van allesvenalles
van Baarle-NassauBaols, Bòls
van belang zijnbeschrèève
van binnen verrotbökzuut
van Breda, BredaasBerdaos, Berdòsse
van café naar café gaan, kroeglopen, dweilendwèèle, (tt dwèlt)
van dattemevan den dieje
van een borreltje houdenem gèère luste
van gelijke aardêentoutmèm
van goeden huizepront
van hier naar daarvan hòt nòr hèr
van Hilvarenbeek, HilvarenbeeksBiks (e)
van hoofd tot voetenvan kòp toe têen
van houthoutere
van jezelfèègeste
van jouwjouwe
van katoen geventeegenòn pèère
van kindsbeen afvan klèns aaf aon
van kleur veranderen, verkleurenverschiete
van loodlôoje
van Loon op Zand (Loons, Loonse) Lons, Lonse
van tintènne
vanaf te brengenvanaf te krèège
vanavondtaovend
vanavondvanaovend
vanbovenvenboove
vandaagvandoag
vandaagvendaog
vandaag de dagtiggenswordig
vandaanaaf
vanmorgenvemèèrege
vannachtvenaacht
vanzelfvanèèges
vanzelfvanègges
vanzelfsprekend, duidelijk, klaarklaore taol
varen, beleven, ondervindenvaore
varkenkuus, (mv kuuskes, vkw kuuske)
varkenvèèreke
varkenvérke
varkenvérké/kuuske
varkensblaasfrutblaos
varkensfilet, karbonadekrèp
varkenshoeder, varkenshandelaarvèèrekesstaawer
varkensvoersloeber
varkensvoerkuusvoejer
varkensvoerkuusèèrepel
varkentjeskuuskes
vast en zeker, zijn hele levenalzelèève
vast werkgereegelde baon
vast, zeker, in verzekerde bewaringvaast
vastbindenvaastbèène
vaste wastafellàvaabo
vastenavondvastenaovend
vastentijdvaaste
vastentijdvastentèèd
vasthoudenvasthaawe
vechten, ruziemakenvèèchte
veeartsveejarts
veegvèèg
VeelVeul
veel drinken, tutterentuutere
veel eten, schrokkenbèùze
veel pijn hebbenik verrek van de pent
veel te duurvuste kòsselek
veel te veelveulsteveul, vusteveul
veel te veelvusteveul
veel te vroegvuste vruug
veel, hoophôop, (vkw hupke)
veeldrinkerzèùpschèùt
veemarktveemèrt
veertigfirteg
veertigvirteg
veertjevèrke
veertjevirke
veertjesvèrkes
veeterdistel
vegenbúnne
vegenbèsseme
vegen, vagenvèège
vegerbisúm
veiligvèlleg
veiligheidvèlleghèd
veiligheidsspeldslötspèl
veilingmeesterafslaoger
veldleeuwerik (Alauda arvensis) parasjuutveugeltje
veldwachtergruunjas
velgvèlling
velgenvellinge
velours, fluweelflôêrs
vensterbankraomrichel
ventmanskèèrel
vent, kereljêûkerd
ventielslangetjefetielslèngske
ver schoppenwèèd brènge
ver wegwèèd ewèg
verandering, andere manierèntel
verassing, sinterklaascadeautjesepries (Fr: surprise)
verbazingverbaozing
verbeelden, voorstellen, eigendunk demonstrerenverbilde
verbeelding, opschepperij, blufferige drukte (Fr: gasconnade) kaskenaode, kaskenaoj, kèskenaoj
verbergen, wegmoffelenmoefele
verbiedenverbieje, (verbiet, verboj/verbôoj, verbooje)
verblekenverschiete
verbruikt materiaalverschòtte
verderwijer
verder, nog meervèrders
verdikking in draad, knoop in haren, pukkel, puistfròt
verdoriegatvergimme
verdorie, uitroep van teleurstellinggatjuu
verdragen kunnenkunne veele
verdrietsjagrèèn
verdrietweet
verdwenen, weg, pleiten, foetsieplèète
vereniging van geheel onthouders, (anti-drank-maffia) den blaawe knêûp
vergaanvergaon
vergiettèms, tèmmes, timmes
verhaaltjevertèsseltje
verhuizingooverhèùs
verjaardagverjòrdag
verkoudheidklèts
verkrijgen, ontvangen, verwerven, bereikenbekôome
verleden, vorig (e) fleej (e)
verlegenprut
verlegen, bedeesd, éénkenniginkènneg
verlegen, met drempelvreesklèpschaaw
verliezen, kwijtraken, verspelenverspeule
verliezen, verspelen, ervan af zijn, kwijt spelenkwèètspeule
verlof, vrijòllef, òllem
verloofdemèdje
verloofdemèske
verlotenverlootere
vermicellifèrmesjèl
vermoeidheidmuugte
vermoeidheid, moeheidmuugeghèd, muugeghèt, muugeghèj, (mv muugegheeje)
vermogen, fut, krachtammezûur
vermogen, veel, macht, krachtmaacht
vermogend, redelijk gefortuneerd zijnmòs òn dur kniejes hebbe
vernielenverrinneweere
vernielen, (Fr: détruire) verdèstruuweere
verontwaardigd zijnem rije
verpleegsternon/nonneke
verradeniemes derbijlappe
verradenverraoje
verraden, erbij lappenbèlappe
verradermaotenaaier
verrewegwèèdèùt
versvòrs
verscheidene, verschillendeverschaaje
verschrikkelijkontiegelek
verse haring om te bakken, panharingpanhèrring
versleten fietsaaw krak
versleten, slordig kledingstuktòdzak
verspillenverkwaanselen
verstaanverstaon
verstandverstaand
verstand, wetenschapweet
verstikkensmoore
verstoppertjepiepenbèèreg, pieperke
verstoppertje spelenpieperke spêûle
verteerder, klant in het cafévertèrder
vertelsel (tje), verhaal (tje) vertèssel (ke, -tje)
verteren, bestedenvertèère
vertrekkenaaftrappe
vertrouwenfeduusie
vertrouwenfieduusie
VerveeloorWallegent
verveeloor, dreinoorollie k o n t
vervelen, donderjagenklôote
vervelen, plagenniereke
vervelend doenhòrzakke / kutkamme
vervelend doen, lastig zijnmiere
vervelend iemand, lammelinglamstraol
vervelend ietspòtstuk
Vervelend PersoonSchurvtzak
vervelend, lastig, onprettigklôote
vervelende kinderenklôotjong
vervelende vent, hannesklôotvèèger
vervelende zaak, nare kwestiepluierij
vervormd, uit zijn modelötgelèbberd, èùtgelèbberd
vervormen, uit zijn model gerakenötlèbbere, èùtlèbbere
verwaandverwaond, strond wie heetoe gescheete
verwaand, trots, fier, hoogmoediggrotseg, grots
verwaandheid, hoogmoedgrotseghèd, grotseghèt, grotseghèj
verwaandheid, inbeeldingverbilding
verwaarlozen, bedervenbegèrbeleure
verwelkenverwelleke, verwelluke
verzakenverzaoke
verzaken (kaartterm) saoke
verzamelen, ophaleninschaore
verzekeren (Fr:assurer) verastereere
verzekeringsmaatschappijastraasie
vestje, giletvisje
vestzakjevisjeszèkske
vetersnissels
vettig haarplèkbol
vier soorten, vier kleurenvierder (h) aande
vierkantvierkaant
vierkant, eigenwijs, brutaalvierkaant
vies doen, een vies gezicht trekkenvölleke
vies mensvèùl plöddeke
vies onooglijk vrouwtjemeukelwèfke
vies werkvèùl wèèrk
vies, onooglijk scharrelvrouwtjemöökelwèfke
vies, smerigsmèrreg
viespeukvöllak
viespoes, smeerpoes, slordig mensvööl poetje, vèùl poetje
viezeveul
vieze praatjesvöllekerij
vieze vingerssausduime
viezeriksmèrlap
viezeriktadderak, smèrlap
viezerikvöllak
viezerikvöllek
viezerik, vuilak, smeerpoesvöllek
viezigheidbleppep
vijf5 vèèf
vijfvééf
vijfvèf
vijfdevèfde
vijftienvèftien
vijftigstefèftegste
vijgvèèg
villaparkjèmbuurt
villapark, quasi-rijke buurt, de Blaak (den Blaok) kaawèèrepelbuurt, jèmbuurt
vindenvèène
vindenvèène, (vènt, von, gevonde)
vindervèèner, vènder
vingersgeboje, gebôoje
vingerssausdèùme
vingersplekjatte
vink (Fringilla coelebs) maajvink
vinnig, nijdig, vurig, driftignèèg
vioolfiejôol
visspèk meej spèèle
viskuit, hom v.d. viszaajers
viskuit, hom v.d. viszaod
vissenaaskèmpzaod
visvijverwouwer
vlapuddingpap
vlaamse gaai (Garrulus glandarius) mòrkòlf
vlaszaadlèènzaod
vlechttwijgfitselstèk
vleermuisvlirmèùs
vleien, lekker makenbeströöve
vlekplèk
vliegende aanloopramscheut, ròmscheut
vliegende aanloopròmscheut, ramscheut
vlierhoutflierhout
vlinderkapelleke
vlinderdasjenondejuuke
vlovlôoj
vloekengòtfere
vloekengòdvere
vlucht in de schemer, werken in de schemeröölevlucht, èùlevlucht
vlug een beetjerap ôok
vlug een beetjevietempeu
vlug een beetje, als de wiedeweerga (Fr: vite un peu) vietenpeu, vietempeu, vietepeutem
vlug eventjesgaaw èfkes
vlug iets wegpakkenritse
vlug, snelrap
vluggergaawer
vluggertje (vlug nog een borreltje, snelschaakpartijtje) gaawke
vodtadderak
vodden, lorren, lompentòdde
voddenkoopman, voddenkramertòd (de) krèèmer
voddenmantòddeboer
voddenmantòdkrèèmer
voederbakvoejerbak
voederbietmangelpeej
voederbietenmangelpeeje
voederenvoejere
voederzak (v/h paard) ròsdoek
voelenvuule
voer, voedervoejer
voeren, dieren te eten geven, voederenvoejere
voeringvoejer
voerketelsòpkeetel
voetbalfoebal
voetballenvoeballuh, voeballe
voetballenvoebolle
voetballer bij NOAD (nooit ophouden altijd doorgaan) unne gèèlblauwe
voeten, potenpôoj (vkw pôojkes)
voetjevuutje
vogeltje veugeltje
vogeltjeveugeltje
vogeltjesveugeltjes
vogeltjesliefhebberveugeltjesprutter
vogelvoerkèmpzaod
voldoendegenogt
voldoendegenog, genogt
volgooientaassuh
volgzaam, gewilliggewòrreg
volièrefejèèr
volkvòllek
volkstuinvòlkstèùn
voorveur
voorveur, vur
voorvur
voorvur, veur
voor de dag komenötpakke, èùtpakke
voor de gek houden, sarren, plagen, tergenötklôote, èùtklôote
voordatvurdè
voordatvurdègge
voordatvurdèttie
voordat jevurdè ge
voordeeltjemeeval
voordeurvurdeur
voorgaande jarenaander jaore
voorgevoel, vermoeden (Fr: prénotion) pronoosie, prenonsie
voorgevoel, vermoeden (Fr: prénotion) prenonsie, pronoosie
voorhandvurhaand
voorhuidveurhèùt, vurhèùt
voorhuidveurhööt, vurhööt
voorkamergoej kaomer
voorkantvurkaant
voorkomend, betrouwbaaravvenaant
voorlopigvurlôopeg
voormalige geliefdeaaw vlam
vooropvurop
voorschieten van geldverschiete
voorschijnblakke
voorspellingpronostiek
voorstellenvurstèlle
voortaanvortaon/vort
voortaan, tegenwoordig, heden ten dagevort
voortduren, aanhoudenònhaawe, aonhaawe
voortdurendgeduureg
voortdurenddurlôopend
voortdurend, doorlopend, telkensallegeduureg
vooruitverèùt
vooruitvort
vooruitvurèùt
vooruit (aansporing), zeg, nou jaalleej
vooruit dan maarallebeneur
vooruitgang, promotieavvezaans
voorwaarts (voermannentaal) juu
voorzittervurzitter
vorig jaarvleej jaor
vorig, verledenvurreg
vorigevleej
vorigevurrege
vorigevurrige
vorige maandvleeje mònd
vorige weekvleej week
vorige week, verleden weekfleejweek, fleeweek
vorkferkèt
vorkverkèt
vrachtautovrachtwaoge, camion
vreemd, eigenaardigvrèmd
vreemdelingenvrèmd vòllek
vreetzak, overdreven eter, slokopfrètzak
vrekpin
vrekprèngel
vreselijkverrèkkes
vreten, etenfrèète, (tt frèt, vt fraat)
vriendje van de meesterstrooptiet
vriendje van de meester, oogappeltje, strooplikkerfiepke, fiep
vrijdagvrèddag
vrijerflip
vrijer voor korte duur (tijdens vakantie of kermis) kèr (re) mesvrèjer
vrijgezellenknoop, aandrukknooplööjwèèveknêûp
vrijlustig meisjehaffelkatje
vrijpostigstraant
vrijpostig, brutaalastraant, straant
vrijwel, bijnabekaanst
vroegvruug
vroege morgenvruuge mèèrege
vroegervruuger
vrolijk, plezierig, leuk, amusantplezaant, plezant
vrome vrouwkweezel
vroom persoonwijwaoterpisser
vrouwmupke
vrouw mupke
vrouwvrammes
vrouwvrouwke
VrouwWèèf
VrouwWéf
Vrouwwijfke
vrouw (mens) frammes, vrommes
vrouw (mens) vrommes, frammes
vrouw met haar op de bovenlipkribbòrsel
vrouwelijke losbol, manziek wijfhòllewaaj
vrouwen kijkengèèlôôge
vrouwenonderbroekdirriktwaar
vrouwkeFrammeske
vrouwmens (gezet) troela
vrouwtjevrouwke
vrouwtjeskonijnfôoj
vrouwtjesvarkengèlt
vruchtensapfröötsap, frèùtsap
vuil, doortrapt, gemeen, smerig, geniepigvèùl
vuil, vies, vuiligheid, vuilnisvèùl
vuil, viezigheid, vuiligheid, vuilnisvölleghèd
vuilnis, gemeentelijke vuilstortvöllekes
vuilniswagenvölneswaoge
vuiltjevöltje
vuistvöst
vuisten (kroegspelletje) vöste
vuistjevösje

W

waaksgewòrreg
waakswoaks
waalwijkwalk
WaalwijkWallik
WaalwijkWolk
WaalwijkWòllek
WaalwijkWolluk
waarwaor
waarwòr
waar ben je?bende?
waaraanwòraon
waardwèrd
waardewèèrde
waardeloos houtflötjeshout
waardeloze troepschuddekul
waarderen (vaak negatief) tèlle
waardevolgaawe
waardevol, grappig, kostelijkkösselek
waarheidwòrrend
waaromwaarom
waaromwaorveur
waaromwörrom
waarschuwenwòrschouwe
waarvandaanwòraaf
wachtenwòchte
wagen (ww) òngaon
wagen zonder veringbòlderwaogel
wagen, autowaoge
wagenmakerkèrsmit
walm, stoomblaok
wals waar de kaardebollen op bevestigd worden voor het kaarden van de wolvezels (textiel) kaordewals
wanneerhoeneer
Wanneer? Nooit niet!Wannie? Dannie!
warwèèr
warboel, rommeltjefrutboel
warempelalzelèève
warmwèèrm
warme bewaarplaats voor fruitmuuk
warmenwèèreme
warmtewèrmte
warmwaterkruikkrèùk
waswaas
wasbordroefel
wasem, waterdampwòssem
waskeuken, washokwashèùs
wasknijperwaspin (neke)
wassen, groeienwaase
waswatersòp
wat
watwè, wèt
watwelk
wat 'nwèn
wat anderswèdaanders
Wat ben je toch een treuzelaarWè zède toch unne pietleut
Wat betaald dat?wè schuift deh?
Wat doe je nou?!Wè doede nouw?!
wat doe je?wé doede gij na?
wat een bende!spûlleke!
wat een flauwekul om iets van nietswen gezèik zeg op niks
wat hijwèttie
wat is datwèsdè
wat is erwèdist
wat jewègge
wat moet jewè moete gij
wat U nu zegt, komt niet in zijn volledige duidelijkheid overwellek?
wat voor een, welkehoen
wat voor, welkewèffer
wat zeg jewèlk
Wat zegt ie?Wè zeetie?
Wat zegt uWè/wellik
Wat zegt U?Wè zede gij?
Wat zegt U?welluk?
wat zei hijwè zittie
wat zieligochèrum
wat zit je nou allemaal te kijken?wé zitte nauw allemaol te kéken?
wat, ietswè, wèt
waterwaoter
water bij de jenever doengissele
waterdichte stof, gabardinegabberdiene
waterketelmôor
watermuur (Myosoton aquaticum) miert
waterwants ( (Gerris lacustris) schòtserijer
wauwelen, wartaal uitslaanbraawele
wcdu pleej
wcschèthuis, pleej, pisbak
wct`schèthuis
wcut huske--ut gemak
WC, plee, toiletpleej
wc, toiletet kaomerke
we, wijme
wederom, terugvrom
wedijverig, jaloersbekaampeg
weduweweedevrouw, weuw
weduwnaarpèèrd zonder voerman
weduwnaarweedeman
weeffout als gevolg van gebroken kettingdraad (textiel) paddevoet
weefgetouwketaaw
weefkaartmaker (textiel) kaordemaoker
Weekaachtdòòg
week, het wekenwêek
weer weggaan (rusteloos) op rits gaon
weerga, gelijkewirgaoj
weerlicht, bliksemwirlicht
weerom, voorvoorgaandefrom
weerom, voorvoorgaandevrom
weetwit
weet je welwittenie
Weet je wel?Witte wè?
weet jij hetwitte geit
weet jij hetwitte gij ut
weet jij......?witte gij .......?
weetje nietwitte gij da nie
weevershuisjewèèvershöske
wegewèg
wegweeg
wegwègt
Weg gaanAftaaien - 'k taaim af
wegen (ww), op de hand het gewicht schattenkwikke
wegenbelastingweegetaks
weggaan, wegwezenum peeze, urtussenööt pèère
weglopenewèglôope
wegpikkenschoepe
wegwezenpôojtem
wegwezensjoert em!
weiwaaj
wei landwaai laand
weidewaai
weidewaaj
weinigwèèneg
weinigweenig
weinigwènnig, nen bietje, ietwè
welbespraaktmondfiejat
welbespraaktgoedgetòld
welk (e) wellek (e), welluk (e)
wendenwèène
werd wier
werdwier
werkwèèrk
werkwèèrk, wèèrek
werkdagwèrkendag
werkelijkongelooge
werkelijk, echtweezelek
werkenwé?
werkenwèèreke
werkplaatswèrkplòts
wespwèps
westernkojbojfilm
wetenweete (wit, wies, geweete)
wetsteenmèèl
wevenwèève, (wèèft, wêef, geweeve)
weverwèèver
weversknoopwèèversknêûp
wezelaajerweezel
wezenwiste
wiedenwieje
wiegekinderenplatte kènder
wiegekindjemölleke
wiel, radrat (mv raoj (er), vkw raojerke)
wielenraojer
wielewaal (Oriolus oriolus) gèèle wiewaaw
wiens, van wiehoens
Wietwieri
wijwèllie
wijd, verwèèd (wèjer,, wèdst)
wijderwijer
wijfwefke
wijf, wijfjewèèf, wèfke
wijnwèèn
wijnfles (sen) wèènflès (se)
wijwaterbakjewijwaotersbèkske, wijwaotersvatje
wijzertjeswèèzerkes
wild fietsen, ravotten, rondzwervenrakke
wild spelen, rondspringenrondspòldere
wilde (wou), wildenwo, won
wildernisraawenes
wildgroeiraaweghèd
willem IIDun kööning
windwènd
winden latenjèùne
winden, opwindenwèène, opwèène
winkelen in de stadstatte
winkelkorfkabas
winterwènter
winterjaswènterjas
winterkoninkje (Troglodytes troglodytes) oovenbèkkerke
winterpeenpeej
wispelturig iemandduuzentzinder
wistwies
Wist jij dat Foe kinderen heeftWiste gij da foe jong haj
witbroodmik
witte kwikstaart (Motacilla alba) èkkermènneke
witte kwikstaart (Motacilla alba) kwistert
wolmengerduuvelèèr
wonder, mirakelmeraokel
wonderbaarlijkmeraokels
woonkamer, haard, thuishèrd, hèèrd
woordenboekdiksjenèèr
wordenwòrre, (wòrt, wier, gewòrre)
wortelenpeeje
worteltjespeejkes
wou hetwogget
wratfrat
wrijvenrösse
wrijvenvrèève
wrikkenmeutele
wroetenvruute
wroeten, overal met je neus inzittenfruute, vruute
wroeten, overal met je neus inzittenvruute, fruute
wulp (Numenius arquata) kölder
ww uitkeringstèmpelgeld

Z

zaadzaod
zaagzaog
zaagselzaogemèèl, zaogsel
zaaien, poten (ww) pôote
zaaigoed, zaadzaodgoed
zaakzaok
zaakzoak
zaak, winkelnégotie
zaakjezòkske
zaalzaol
zaalzoal
zaaltjezòltje
zachtzòft
zacht doorzichtig weefsel (Fr: mousseline) moezelien
zacht gekookt eisop aai
zachtjes regenengezêever
zachtjes regenenzêevere
zadelzaol
zadeltjezòltje
zagenzaoge
zagenzoage
zakbuil
zakzekske
zak patatbuil friet
zak patatun tuut friet
zak, broekzaktès
zakdoekneusdoek
zakdoeksnotlap
zakdoekzaddoek
zakgeld traktemènt
ZakgeldTraktement
zakjeböltje
zakjetuutje
zakjezèkske
zakje (Reckitt's) blauwselun zèkske blaauw
zakmesknipmis
zaligzaoleg
zandzaand
zand, aarde, grondèèrd (e)
zandkuilzaandkèùl
zanikenleutere
zaniken, zeurenzaoge
zaniken, zeurenzaoneke
zanikerdzêeverèèr, zêeverlap
Zaterdagse marktsaoterdagse mèrt
ze is nog heel onnozelze is zo grün as gras
zee-den (Pinus pinaster) hèksemaast
zeemzêem
zeemzêem, zêemlap
zeepsopsipsòp
zeer dronkenjantjemerienes
zeggenzègge, (zègt, zi/zeej, gezeej/gezeed)
zegt het, zei hetzeeget, zigget
zegt hijzeetie
zeizeej
zei jezidde
zei, zeidenzi, zin
zeil, zeildoekzèèl
zeker, nietwaar, hèwar
zekerheid (i.v.m. werk) vaasteghèd
zelf, eigenèèges
zelfklevend papiertjezèllefklêêverke
zelfverbouwdèège-tilt
zemenzêeme
zenuwachtigzenuwèèchtig
zeszis
zeugzòg
zeurmiemaaw
zeurenmaauwe
zeurenmaawe
zeurendrèène
zeurenZeiken
zeuren, dreinendrèène, (tt drènt)
zeuren, vervelend doenzèèke
zeuren, zanikken, langdurig over hetzelfde blijven pratenzaoge
zeurig, prikkelbaarneuteleg
zeurpietknaawer
zeurpietmaawerd
zeurpietzîvverèèr
zeurpiet, dreinoordrèènôor
zevendezeuvende
zever vrouwwen teemuts
zever, kwijlzêever
zeveren, zaniken, kletsen, onzin uitkramenzêevere
zichzenèège
zich doen gelden (Fr:maintenir) mèntenêere
zich hoger voor doen dat hij iswennun hoop kouwe kak
zich moeizaam voortbewegen, (lopen door hoge sneeuw) bòllieje
zich opwinden, opstoken, aanzetten tot kwaadopsteuke
zich snel verplaatsenroetse
zich thuisvoelenaord hèn
zich vergissenabuus hèbbe
zich veroorloven (Fr: se permettre) pèrmetêere
zich vervelengèèlôoge
zichzelfzenèège
zichzelfzunèège
zie hetzieget
zie je, ziet uziede
ziekenhuis, gasthuisgaasthèùs, gaasthöös
zieligonnêûzel
zieligòchèèrem
zielig menstòb, tòbber (d)
zielig persoonjankerd
zielige oude mansòppert
ziensjoere
zien, gewaarwordengewaorwòrre, (vt gewaorgewòrre)
zijhullie, zullie
zijzullie
zijzöllie, zullie
zijnzèèn, zèn (ik zèè, gij zèèt, ik waar, ik zèè gewist)
zijnzèn
zijn erzènder
zijn gang gaanòntambôêre, aontambôêre
zijn gang gaanònbetije
zijn gang gaan, gewòrre
zijn naam hooghouden, de eer op houdenmèntenêere
zijn wezèmme
zijschot van de kruiwagenburd
zinken knoop omwikkeld met linnen die tijdens het mangelen niet stuk gaatmangelknêûp
zozôo
zo dadelijksommedêene
zo dadelijkdrèk
zo dadelijkzommedêene
zo dadelijk, zo meteensommedêene, zommedêene
Zo een vrouwzon wef
zo gaarne, zo graagzo gèère
zo heet hijzoé hiet ie
zo meteensebiet
zo meteenzommedèene
zo meteen zijn we erzommedêene zèmmer
zo nu en danmeej toere
zo ongeveerte nòstenbaaj
zo ongeveer, ten naaste bijnòstenbaaj
zo'nzonne
zo'n, zulke (mv) zon
zodrameejdè
zoekzuuk
zoek, kwijt, verlorenkwèèt
zoekenzuuke
zoemenhoeme
zoenenkusse
zoenenkopkluive
zoetjesaan meelopenmeejsjoefele
zogenaamdzogezeed, zogezeej
zojuisttoen nèt
zojuisttoennèt
zojuist, daarnettoen persies
zolderschoor
ZolderZulder
zolder, zoldering, zitvlak in een broekzòlder, zulder
zoldertjeschorke
zomaarzomar
zomenzêûme
zometeen ga je er op staandrèk trapterop
zondagse kledinggoej pak
zondesund
zondesunt, witte wa sunt is botter op oew gat smeren en drog brood frete
zonde, jammersund
zonder beperkingen, alles ineenstoepertoe, toepartoe
zonder geldkèps
zonder gezien te hebben/zijnongeziens
zonder interesse, primitief, op zijn gemakbôêreflötjes (op zun)
zondvloeddeluuvie
zonsondergang, het vallen v.d. avondvalaovend
zoomzêûm
zoompjezumke
zorg, bekommernisprakkezaosie
zorgen, oppassenzörge
zorgenkindhaawkèènd
zorgtzörgt
zotappetjoek
zot, niet goed wijs, futloos, sufdaaps
zouzò't
zouzò't
zou hetzogget
zou hetzot, zut
zou, zoudenzo, zon
zoveelzoveul
zuidenzuije
zuigeling/babybeebieke
zuinig sceptischzèùneg
zuipenjèppe
zuipenzuipeh
zuiver, schoonzèùver
zulkezukke
zullen wezumme
zuurzoer
zuurpruimpröömzûur
zuurstokkèrmessteel
zuurstok, likstoklèksteel
zuurtjeswaterzuurkeswaoter
zwaarlôojeg
zwaarzwaor
zwaluwzwòlluuw, zwòlm
zwammen, kletsen, dwarsliggenkakhiele
zwanger, in blijde verwachting, in positie zijnpeziesie
zware bewolkinglööplocht, lèùplocht
zware bewolkinglèùplocht, lööplocht
zware stemkòkseklòppersstèm
zwart (e) git (te)
zwarte anti ontsteking zalftèèrzalf
zwarte rouwsluier, falie, hoofd- en schouderdoekfòllie
zwarte, hogehoedkachelpèèp
zweepjezwipke
zweerzwèèr
zweertjezwèrke
zwemonderwijzereszwemjuf
zwerm, troep, vlucht, veelklocht
zwervenrakke
zwerver, buitenbeentjedwalkschaop, dwallegschaop
zwezeriksepiete (Sp:chupete=byz. lekker)
zwijgenmoelhaawe
zwijgenzwèège
zwijnzwèèn