Klemskerks

Dialecten > West-Vlaanderen > Klemskerks

Klemskerks bevat 47 gezegden, 293 woorden en 0 opmerkingen. Alle woorden zijn toegevoegd door onze bezoekers.

PDFLog in

47 gezegden

(h) oet va' woajboomm: uitdrukking door timmerlieden gebruikt voor slecht, minderwaardig houthout van waaibomen
't en is gin trop of d'r zit e buk in: in elk gezelschap, in elke familie is er altijd wel één iemand die niet deugter is geen troep of er zit een bok in
't is veele volk in de stoasje: gezegd van een weelderige boezemer is veel volk in de statie
't Reegent d'r ip lik ip een oande: hij / zij is ongevoelig voor berisping, kritiek, vermaning of goede raad't Regent erop gelijk op een eend
't Reegent da' 't zikt:: het giet water't Regent dat 't zeikt
' t zien goe' geeëstn die keeërn: gezegd als welkomstgroet als iemand na enige tijd terugkeert naar de plek van de spreker.'t Zijn goede geesten die keren
a't een (h) oend gewist, je beeët: gezegd als iemand iets niet opmerkt of niet vinden kan wat vlak in zijn nabijheid staat of ligthad het een hond geweest, hij beet
alle boatn (h) elpm, zei 't muuzetje, en 't piste in de zeeë (traditionele zei-spreuk, die gezegd wordt als iemand met goede bedoelingen iets doet waarvan men van tevoren weet dat het bitter weinig zal uithalen) alle baten helpen, zei 't muisje, en 't piste in de zee
blekng lik Klemskerke teegn 't oengewirte: liggen te blinken, te schitteren in de zon. De uitdrukking stamt van de West-Vlaamse vissers, die van verre de nog door de zon beschenen kerktoren van Klemskerke blinkend zagen afsteken tegen donkere onweerswolkenBlikken gelijk Klemskerke tegen 't ongeweerte
busje kapm: spijbelen, haagschool houdenbosje kappen
Da's 't plang van (H) eist: vierkante zwienekootn me' roend' (h) oekn: zegswijze die men gebruikt om in te stemmen met iemands voorstelDat is het plan van Heist: vierkante zwijnenkoten met ronde hoeken
de buk zit ip ze rik: hij is bokkigde bok zit op zijn rug
de mooërt gestookng / gesteekng zien: om het leven gekomen zijn. Wordt vooral gezegd van ongedierte. Ook van personen van wie men een afkeer hadde moord gestoken zijn
den (h) illige Staakestief, patrooën teegn de jukste: wordt ironisch gezegd van iemand met een erg stramme houdingde heilige Stakestijf, patroon tegen de jeukste
droenke gezeid is nuchter gepeisd: onder invloed van drank zegt men wat men werkelijk denktdronken gezegd is nuchter gepeinsd
droenke gezeid is nuchter gepeisd: onder invloed van drank zegt men wat men werkelijk denktdronken gezeid is nuchter gepeinsd
e muule van lintjes ' èn: goed van de tongriem gesneden zijn, de hele wereld kunnen omprateneen muil van lintjes hebben
een oanzichte / e muule lik e bescheetn dekveister: een ontevreden of verongelijkte gezichtsuitdrukkingeen aangezicht / muil gelijk een bescheten dakvenster
feteurlik, zei tn, en je reeë' med een oendekarre (traditionele zei-spreuk, gebruikt als humoristische woordspeling op 'natuurlijk!' in de zin van 'uiteraard, vanzelfsprekend') voituurlijk, zei hij, en hij reed met een hondenkar
gebeurd' t Is geboterd
God zeegent j'en bewoar' je van duuvels en slicht volk: wens voor een behouden tocht, gezegd wanneer iemand afscheid neemt en zich op weg begeeft. Een variant van deze uitdrukking is: God zeegent j'en bewoar' je van duuvels en Roeseloarnoars (toespeling op de leurders van de Roeselaarse nieuwmarkt, die nogal ongunstig aangeschreven stonden) God zegene en beware je van duivels en slecht volk
in 't dek lign: gezegd van zaken die stilgevallen zijn, die geen voortgang boeken. Bv. Doordat ik met mijn been in de plaaster zit, ligt mijn verbouwing voorlopig in 't dek.in 't dek liggen
je keurn toogn: iets doen om anderen te verbazen, om op te vallen. Bv. Je sproenk oovr 't zwin vo' ze keurn te toognje kuren tonen
Je zie-gie zeekr van 't goe joar? Hiermee wijst men iemand terecht die onrealistische dingen verwacht van een ander. Zie ook 'Jij zijt zeker van alhier niet?'Jij zijt zeker van 't goed jaar?
Je zie-gie zeekr van al (h) ier nie? Uitdrukking waarmee men iemand terechtwijst, die onrealistische voorstellen doet of onrealistische dingen verwacht van een ander. Zie ook 'Je zijt gij zeker van 't goed jaar'Jij zijt zeker van alhier niet?
Ketr' is viere, zei Koksje, en je stak ze wuuf bie drie oed' enn (traditionele zei-spreuk) Quatre is vier, zei Kokje, en hij stak zijn wijf bij drie oude hennen
mè je gat vul schuld zitn: veel schulden hebbenmet je gat vol schuld zitten
me' ze gat vul schuld zitn: veel schulden hebbenmet zijn gat vol schuld zitten
met de lantaern an den diesel: vooral in verbinding met werkwoorden die 'vetrekken' of 'verhuizen' betekenen. De uitdrukking betekent: heimelijk en inderhaast vertrekken of verhuizen met have en goed, omdat men zijn schulden niet meer kan betalen. Bv. 'Me gebeur zat me' ze gat vul schuld, j'is met de lantaern an den diesel toegezet no' Vrankrijk'met de lantaarn aan de dijsel
nweer't Gaat
Rienk zei kooker en je bolde me se deeësm (tradtionele zei-spreuk, onder meer gebruikt met betekenis ' Raak!' ) Ring!, zei Koker, en hij bolde met zijn desem
saluu en de kost en die wiend vanachter: zegwijze die men iemand naroept die kwaad vertrekt na een ruzieSaluut en de kost en de wind vanachter
Stal (h) ille, grooët van wille, grooët van pracht mo' kleeëne va' macht: in Klemskerke en Vlissegem gebruikte ironische karakterisering van de inwoners van het aanpalende dorp Stalhille. De Stalhillenaars stonden bekend als hovaardig en hooghartigStalhille, groot van wille, groot van pracht maar klein van macht
stroent, wien (h) èt er je gescheetn?: platte uitdrukking ter karakterisering van een hooghartig, pretentieus persoonstront, wie heeft er je gescheten?
te kwiste goan: verloren gaan, gezegd van waardevolle zaken.te kwiste gaan
teegn dek: gebruikt in uitdrukkingen als 'teegn dek sloan': onzacht op de grond terechtkomen, bv. 'k Probeerde me nog vast te houden aan een staak, maar 'k sloeg toch tegen dek'tegen dek
top oovr kop / klooëtn, kop oovr klooëtn: overhoop, warrig door elkaar gegooid. Bv. Wanneer ga je dat kot eens effen zetten? 't Ligt daar al weken top over kop / kloten.top over kop, top / kop over kloten
vooëdat den duuvel ze paneeël schudt: voor dag en dauwvoordat de duivel zijn paneel schudt
voödat den duuvel ze paneeël schudt: voor dag en dauw, voordat de duivel zijn paneel schudt
wa' let d'r je van...? wat belet je, wat houdt je tegen om...? bv. Wa' let d'r je van...? Bv. Wa' let er je van ook e ki' je gedacht te zegn?Wat let er je om...?
wie met ukleuter
ze peist da' skeizers katt' eur nicht' is: gezegd van een ingebeelde, hovaardige vrouwZe peinst dat 's keizers kat haar nicht is
zo dwoas of een erpel:zo dwaas als een erpel
zo plat of e zesse: helemaal plat, vooral gezegd van iets wat platgeslagen of op de weg platgereden iszo plat als een zes
Zoe'j nu gi' mieërn zeeëkng?: zou je nu niet doodvallen? Gezegd bij een grote tegenvallerZou je nu geen mieren zeiken?
zuupm en zeeëkng: overdadig drinken met losbandig gedrag tot gevolgzuipen en zeiken
zwarte school' (h) oedn: in gezelschap vuilbekken, vunzige praat vertellen. Ook vuilemuilen.zwarte school houden

293 woorden

klompenmaker
(h) eemelste: courant gebruikt versterkend woord, zowel bijwoord (1) als bijvoeglijk naamwoord (2) . Het bepaalde woord duidt meestal iets negatiefs aan, bv. (1) (h) eemelste vroet ('uitzinnig van woede', 'erg vrekkig'), (h) eemelste zot en bezeetn, (h) eemelste dul, (h) eemelste droenke, (2) (h) eemelste pregge, (h) eemelste nieëwaerd, (h) eemelste rossehemelste
(h) eule: stenen brug over een waterloop met aan beide kanten een gemetselde borstwering. Bekend is het toponiem Clemensheule te Klemskerke.stenen brug
(h) il: duintop, in tegenstelling tot een laagte of panneduintop
(h) ul: groepje stengels van een gewas dat boven de rest uitsteekt. Zo worden de opschietende grasstengels rond een koestront in de weide 'hullen' genoemd.stengels van gewas
(h) ule: deksel, bv. van een kookpot.deksel
(meisjong) meisjoenk: meisje. Zie ook jongers en knechtjongenmeisje
'oantje: haantje-de-voorste, wie zich steeds wel laten geldenhaantje

A

acht (e) raaln: iemand die dezelfde route volgt inhalen en eventueel voorbijsteken.achterhalen
achterdienken: achterdochtachterdunken
akepuit; aakepuut: watergeest, die men zich voorstelde als een klein, zwart mannetje met groen haar, dat, als je je te ver over de rand van een waterput waagde, je het water in sleurde. Verhalen over deze watergeest werden vooral aan kinderen verteld, om ze uit de buurt te houden van open waterputtenwatergeest
altemet / altemets (bijwoord) : 1) soms, van tijd tot tijd, bv. Hij passeert hier altemets e ki / e keeë 'Hij passeert hier soms een keer'. Synoniem: de helft van tijd. 2) soms (als schakeringspartikel), bv. Zou j' altemets gin bitje beter ipletten? (Zou je soms niet wat beter opletten?) soms
an de kantaan de kant
antoeden: 1. (werkwoord) : onthouden, niet vergeten. 2 (zelfstandig naamwoord) : herinnering. Antoeden hebben van entwadde: zich iets herinneren. Bv. 'k Hen d'r nog antoeden van dan de melkboers en de bakkers met hoendekarren roendgiengen.onthouden

B

baalie: zwaar houten hek aan een weide of aan een hofstedebalie
baaliemaaker: letterlijk 'iemand die balies vervaardigt', maar vrijwel enkel figuurlijk gebruikt, als spotnaam voor een slechte timmermanbaliemaker
barm: berm, aarden ophoping. Vroeger waren akkers soms begrensd door ' barms' berm
bavette; bavitte: slab, morsdoekje voor kleine kinderen. Het oude woord is 'kwijlebabbe'slab, morsdoekje
biekan / biekaans: bijnabijkan (s)
bilk: weide, zowel hooi- als graasweide. Samenstellingen met bilk zijn: koeibilk, paardenbilk, zwijnenbilk, schapenbilk, ossenbilk, hooibilk en maaibilk. Zie ook 'ossenbilk'.bilk
binjeur (Franse uitspraak) : stranduitbater, persoon die ligstoelen, strandcabines e.d. verhuurt op een hem toegewezen strook op het strandbaigneur
binst de wijle; beistewiele (ondertussen, tezelfdertijd, bv. Vaag gie de vloer, beistewiele gon 'k ik de schuttels wasschen) ondertussen
binst of beist: 1. (voorzetsel) tijdens. bv. Beist den oorloge vrijde ze met e duutsche soldoat. 2. (bijwoord) in de verbinding 'beist dat', bv. Kiendjes, gaat e bitje buuten goans spelen beist da' 't schoan weer' is.tijdens
blageur: druktemakerblageur
bleiten; blaetn: 1. sprekend van schapen: blaten. Zie ook de uitdrukking 'binst dat 't schaapje bleit, verliest het zijn beetjes', 2. sprekend van mensen: huilen, wenen. Zie ook schremen.blaten; huilen
blikken; blekken: blinken, schitteren, glinsteren. Zie ook de uitdrukking blekken gelijk Klemskerke tegen 't ongeweerteblinken
boai: 1. trui, 2. paard met donkerbruin haarkleed (zie ook ' baaide' ) baai
boaide: donkerbruin, sprekend van het haarkleed van paarden.baaide
boeërestoove: Leuvense stoof. Ook buizenstoofboerenstoof
boerinneboent: gilde van de katholieke boerinnen, nu Katholieke Landelijke Vrouwen (KLV) genoemdBoerinnenbond
boffer: opschepper, stoeferopschepper
booënestaake: stok of staak waarlangs staakbonen groeienbonestaak
booëtaamer: hamer van het haargerei. Zie ook bootalaam, bootkruin en botenboothamer
booëtalaam: haargerei. Zie ook bootkruin, boothamer en botenbootalaam
booëtkruune: haarspit, d.i. het aambeeldje dat in de grond wordt geplant en waarop de zeis of de pik gehaard wordt met de haarhamer. Zie ook bootalaam, boothamer en botenbootkruin
booëtn: haren, d.i. de snede van de zeis of de pik aanscherpen met behulp van het haargerei. Zie ook bootalaam, boothamer bootkruin. De seizoenmaaiers kenden de volgende wijsheid: Je pekke wetn (of: Je zeisn wetn) en is gin tied verletn je verzoeët de snee en je rust ermee mo' me' booëtn ku'j de boeërn klooëtn.boten
bosadvocaat; buzavekoatzonderling
braake: het breken, het stuk maken van voorwerpen, bv. Je go' braak' (h) èn o' je zoveele gloazn in e keeë no' de kasse wilt doeënbreken
braake: niet met vruchten begroeid, gezegd van boerenland. Vroeger liet men akkers soms een jaar braak liggen om de bodem weer op krachten te laten komenbraak
braakng: overgeven, braken. Hoewel dit het gebruikelijke, neutrale woord is in het Algemeen Nederlands, klinkt het in ons dialect behoorlijk plat. Het neutrale woord is 'spugen'braken
bucht: 1. gerei, gereedschap, bv. Vroeger vervoerden de timmermans (h) under bucht in een tapijtzak, 2. (jongere betekenis:) waardeloos spul, brol, bv. Zo' n horloge van den Aldi, da' s bucht! 3. speelgoed, bv. Joengers, doe junder bucht een keer aan de kant! In deze betekenis ook ' speelbucht' .bucht
buizenstoof; buuzestoove: Leuvense stoof. Ook boerenstoofboerenstoof
buk oover d' (h) aage: haasje-over (kinderspel) bok over de haag
buk: 1. letterlijk: het mannetje van verschillende diersoorten: e geeëtebuk is een geitenbok, e keunebuk is een rammelaar, e schaapebuk is een ram, een (h) oendebuk is een reu, 2. figuurlijk: iemand die bokkig of koppig is. Zie ook de uitdrukking 'de bok zit op zijn rug'bok
burreln: 1. loeien van runderen, 2. van personen: brullen, tierenburrelen
buut: wat de strandjutter op het strand bijeen gaart en meebrengt naar huis. Bv. Louis is gister wist driftn, mo' j'en adde nie veele gin buutbuit van strandjutter

C

carnassière (kanasjèère) boekentas
crayon; krijong: potlood (verouderd) potlood
curieuzeneus; kerjeuzeneuze: iemand die erg nieuwsgierig is, die overal het fijne van wil weten. Zie ook 'vraagsteert' en de uitdrukking 'curieuzeneuzen en vraagsteerten'nieuwsgierig persoon

D

d' n elftied, d' n elfentied: soms, af en toe. Synoniem: altemet 1.de helft van tijd
dam (me) gat: toegang tot een akker of weide over een sloot. De toegang bestaat uit aarde en graszoden, waar het slootwater in buizen onderdoor wordt geleid.damgat
Dender letterlijk Deen' zie Opm.DENDERKleine Zwaan
dilt: zolder van rondhouten boven een stal of een schuurdilt
Drift (weg) : toponiem, zie driftDriftweg
drift: 1. verdwenen woord voor de weg waarlangs de herders hun kudde naar de graafplaatsen dreven. Nu nog heet de Driftweg, d.i. de lange weg die van Bredene tot Wenduine achter de duinen loopt, door de oude autochtonen ' den Drift' genoemd. Op Wenduins grondgebied is dat ook de officiële naam, 2. ruimte, bewegingsruimte, bv. Doet (h) ier e ki je bucht weg, dan' k drift (h) èndrift
drifter: strandjutter. Ook strangedrifterstrandjutter
driftn, ook strangedriftenstrandjutten
droan: 1. naaistersterm: van een draad voorzien, gezegd van een naald, 2. ontdoen van draden, gezegd van peulvruchtendraden (werkwoord)
duune: het duingebied nabij de zee. Het woord kent in het traditionele dialect geen meervoud. 'De duune' slaat op de brede zone tussen de Driftweg en de zee, die in het begin van de 20e eeuw bebost werd. Als men specifiek de duinenrij bedoelt die het strand begrenst, spreekt men van 'de zeeduin'. Zie dat woordduin
duunekeun: 1. letterlijk: wild konijn dat in de duinen woont, 2. figuurlijk: bewoner van het duingebied. In Klemskerke en Vlissegem heb je duunekeuns en dorpenaarsduinenkeun

E

elverib; elverebbe: lang en zeer mager persoon (man of vrouw), lange magere man of vrouw
erpel (Het woord is verouderd, tegenwoordig zegt men petatte) aardappel
erpel. Zie ook de uitdrukking 'Zo dwaas als een erpel'mannelijke eend
erpelschiller; erpelschelder: aardappelmes. Het woord is verouderd, tegenwoordig zegt men patattemes (uitspraak petattemes) aardappelmes
erreweetrijzels; erwitriezelstwijgen waarlangs erwten groeien
etel; ittelbrandnetel
etelen; itteln: 1. prikken, gezegd van brandnetels, 2. iemand prikken met een brandnetel.prikken

F

feezeln / fizzeln: fezelen, fluisterenfluisteren
fiesjow: 1. letterlijk: bunzing, 2. figuurlijk: ironische benaming voor een sluw en geslepen persoonfisjouw
fleurus: 1. borstvliesontsteking, 2. tuberculosefleurus
fond; foente. Bv. e foentn pot. Men zegt ook 'geute'gietijzer
font; foente. Bv. e foentn pot. Men zegt ook 'geute'gietijzer
froaj: braaf, deugdzaam, zowel van kinderen als van volwassenen gezegd.fraai
futtefopspeen

G

galjoard: geweldenaar, vervaarlijk wezen (mens of dier), bv. e galjoard van e vint, e galjoard van een (h) oendgaljaard
gars; gas. Zie ook 'hooigars' en 'maaigars'gras
gekrakte kloefe: zeer dom (en lomp) persoon.gekraakte kloef
geluw; gilwegeel
geut; geute: gietijzer, bv. een geutn pot. Zie ook font.gietijzer
Gevangenisse van Gent: toponiem (plaatsnaam) door de kinderen van de Driftweg gebruikt voor een ondoordringbaar perceel bos in de Klemskerkse duinbossenGevangenis van Gent
glei. Glei werd gebruikt om daken en korenmijten te dekken, glei werd ook gevlochten tot banden om o.m. korenschroven mee te bindengezuiverd en gekamd roggestro
gleiband: van roggestro gevlochten band om o.m. graanschoven mee te bindengleiband
gleiboer; glieboeër: kleine boer in de duinstreek, in tegenstelling tot een polderboer. Synoniem: duinenboer. De gleiboeren verbouwden rogge, het stro daarvan werd gezuiverd en gekamd tot 'glei'. Zie ook gleikleine duinboer
goaj: 1. letterlijk: gaai (vogel), 2. figuurlijk (schutterssport) : elk van de vogels van de staande of liggende wip, 3. figuurlijk: losbol, wispelturig en onbetrouwbaar persoon. Zie ook taarteklaaigaai
grots: hooghartig, minachting koesterend voor andere mensen.groots

H

hespespijkeregge; espespiekereggevrekkig vrouwmens
het geluid van de zee. Vroeger kon je het zeerot horen tot in Klemskerke- en Vlissegemdorpzeerot
holletjesdraad; (h) olletjesdroatkippengaas
hooigars; (h) ooëjgas: hooiweide. In ons dialect is dat een telbaar substantief, dat dus een meervoud heeft: hooigarzen (uitspraak ooëjgazzn) . Een hooiweide wordt ook hooibilk, maaibilk en maaigars genoemd.hoiweide
hullenwipper; ullewupperflesopener
hut; ut: struik. Bv. een ut booënn, petatn, dalia's, slei, dooërns.struik

I

iez (d) erbietendekoed (ijzerbijtendekoud) ijskoud
ijfte; iefteklimop

J

jazevek; kazjevik: lomp, zakachtig kledingstuklomp kledingstuk
jongers; joengers: kinderen (jongens en meisjes) . Het woord heeft geen enkelvoud. Zie ook knechtjongen en meisjongkinderen
jukste: jeuk. Zie ook de uitdrukking 'de heilige Stakestijf, patroon tegen de jeukste'jeukste

K

kaaf; kaave: schoorsteen op het dak van een gebouw. De schoorsteenmantel in huis wordt 'schouw' genoemdschoorsteen op het dak
kaavezwart: erg vuil, vol vuile, donkere vlekken; vooral gezegd van erg bevuilde mensen en kledingstuken. Bv. Wast eerst jen (h) ann voorda' j'aan tafel komt, ze zijn kaavezwart. Ook 'pokezwart'erg vuil
kakentuit; kaaketuut: traditioneel vrouwenmutjse, dat de oren bedekte en onder de kin met linten gebonden werd. Ook gebruikt voor een op daarop lijkend kindermutsjevrouwenmutsje
karel; koarelkater
katrol: gesneden katerkatrol
kattesmerte: zadelpijn, vervelling in de bilspleet, die schrijnend aanvoeltzadelpijn
kerremelkpit: toponiem (plaatsnaam) : een duinpanne in Vlissegem, ter hoogte van de watertorenKarnemelkput
kets: klein hooioppertje op het maaiveld. 't Hooi in ketsen zettenklein hooioppertje op het maaiveld
keuneploate: de plant van de paardenbloem, die als voer dient voor konijnen. Synoniem: melkwiet. De konijnenhouders sneden de planten uit met een mes, die handeling heet ' keuneplaten of melkwied steken' (uitspraak keuneploatn / melkwieët steekng) . De bloem van de plant heet ' pisseblomme' .keuneplaat
keunewarande: warrige, chaotische bedoening. Bv. Bij mijn gebuurs ligt heel de boel altijd top over kloten en god en alleman komt daar over de vloer. Een echte keunewarande!keunewarande
keunewrande: warrige, chaotische bedoening. Bv. Bij mijn gebuurs ligt heel de boel altijd top over kloten en god en alleman komt daar over de vloer. Een echte keunewarande!chaotische bedoening
kijzig; kiezigvies; vuil
kizzel: 1. grind, bv. Z' (h) èn doar e kamiong kizzel gelost, 2. grindweg. In Vlissegem heet een verbindingsweg tussen de Driftweg en de Koninklijke baan 'de Zwarte Kizzel'.kiezel
kloefe: 1) letterlijk: klomp (houten schoeisel) . 2) figuurlijk: dom (en lomp) persoon (man of vrouw) . Zie ook 'gekraakte kloef'klomp
knechtebrakke: enigszins spottende benaming voor jongen (met bijgedachte aan een wildebras) . De vrouwelijke tegenhanger is meiseflupknechtebrak
knechtjoengn: jongen. Zie ook jongers en meisjongknechtjongen
kobbe: 1) spin, 2) kleine hoogte in het landschapspin
kobbejager: 1) letterlijk: ragebol, 2) slordig persoon, vooral iemand met een onverzorgde, verwarde haardoskobbenjager
kobbenetspinnenweb
koeë: 1. vrouwelijk rund (het meervoud 'koeien' wordt ook gebruikt voor 'rundvee in het algemeen', 2. schelp van de wulk. Als je zo'n schelp tegen je oor houdt, zo vertelt men, hoor je er de zee in ruisenkoe
koekeloerevint: man die vrijende paartjes bespioneert, bij voorbeeld in de duinenvoyeur
koekeloerevint: voyeur, man die vrijende paartjes bespioneert, bij voorbeeld in de duinen. In Klemskerke, De Haan en Vlissegem waren er vroeger verschillende koekeloerevinten actief in de duinen. Ze stonden ook als zodanig bekend, met naam en toenaam.koekeloerevent
koekestuute: boterham van koekenbrood. Zie ook koekenbroodkoekenstuit
koekuut: 1. koekoek (vogelnaam), 2. dakkapel in een woning, 3. benaming voor verschillende in het wild groeiende bloemen: de dagkoekoeksbloem en meerdere variëteiten van de wilde orchideekoekuit
koffiebal; kaffiebal: zo noemde men vroeger een koffietafel, georganiseerd door een vereniging, vooral een vrouwenvereniging (zoals de 'Boerinnenbond' en de 'Vrouwengilde'. Zie die woordenkoffietafel
kotjesdroat: geknoopt metalen baas, met rechthoekige of vierkante openingenkotjesdraad
kotraalie: geheel van schuren en bergruimten. Bij voorbeeld: Hofstede te koop, met woonhuis, stallingen en kotraliekotralie
krankstroom: dood tij. Het tegengestelde is springvloeddood tij
krevelen; kreeveln: woelen, spartelen, gezegd van kleine beestjes en van kleine kinderenspartelen
kreveljoen; kreeveljoeën : klein kind dat voortdurend woelt en spartelt als je het op schoot neemtspartelend kind op schoot
kroontjeskruid; krooëntjeskruudstinkende gauwe
kwelm. Bv. In maart zit de kwelm het hoogst van het hele jaar.grondwater

L

landziekte: heimwee naar je geboortestreekheimwee
letten; letn: verwijlen, ergens blijven vertoeven, bv. 'K gon nie lange letn van ' (h) èn mo' letter tied. Ook in de uitdrukking: 'Wat let er je?' Zie de uitdrukkingen verderop.verblijven
letter: weinig. Het woord raakt verouderd, jongeren zeggen 'weinig' (uitspraak winnig) .luttel
leugemiete: leugenaarsterleugenaarster
luttedomme onnozele vrouw
lutte: onverstandig, oninteressant, sullig vrouwmens. Elders noemt men zo iemand een 'seute', maar dit woord is noch Klemskerks, noch Vlissegems.sullig vrouwmens
luttel; letter: weinig, bv. 't En was mo' letter volk in de kerke.weinig

M

maaigars, moajgas: maaiweide. In ons dialect is het een telbaar substantief, dat dus een meervoud heeft: maaigarzen (uitspraak moajgazzn) . Een maaiweide wordt ook hooibilk, hooigars en maaibilk genoemd.maaiweide
maerkatte: denkbeeldige grote, wilde kat, waar men kinderen bang mee maaktmeerkat
meelimpm: heimelijk meenemen. Bv. Wien (h) èt er me stieloo meegelimpt?heimelijk meenemen
meennde oogst binnenhalen
meisefluppe / meisjefluppe: enigszins spottende benaming voor 'meisje'. De mannelijke tegenhanger is knechtebrakmeisje
melkwieët: de plant van de paardenbloem, die ook keuneplaat wordt genoemd. Zie dat woord.plant van de paardenbloem
meszaat (mesoate) Zie ook stortvuilnisbelt
mezie; meezjemug
meziebeet (meezjebeete) muggenbeet
mikke: 1. grote bergschuur met wolfsdak (zoals bij de hoeve ' het Fleuuskot in Leffinge), 2. bij uitbreiding ook voor schuurtjes en bergruimten met andere bouwtrantmikke

N

naai-egge (noajeege: verouderd woord voor 'naaister') naaister
naalde of noaldelibelle; waterjuffer
neute: harde slag, dreun, hard schot met een (voet) baldreun; hard schot
nieëvers: nergens. Het oude woord voor 'nergens' is nommers (ten) nergens
noareedns: (enkel in het meervoud gebruikt) verklarende of vergoelijkende opmerkingen die men maakt als er aan een verkeerd gelopen kwestie niets meer te verhelpen valtnaredens
nommers (tn) ; nievers.nergens
Nordeeë: eigenaam van een waterloop die van Oostende naar Blankenberge loopt en door o.m. Klemskerke en Vlissegem vloeit. Zie ook vaartjeNoord-Ede
nuchter: pasgeboren, sprekend van een kalf. In figuurlijke zin wordt 'nuchter kolf' ook gezegd van een dom, onwetend persoon. Zie ook versnuchter

O

oandeeend
oandekooëje: soort kooi om wilde eenden te vangen. Bekend was destijds de 'oandekooëje' in de Meetkerkse moereneendenkooi
oardig: 1. raar, zonderling, 2. misselijk, onwelaardig
oenderlat: afdakonderlat
oengewirte: onweer. Zie ook de uitdrukking 'blikken gelijk Klemskerke tegen 't ongeweerte'ongeweerte
ofpeuren: afgieten van het kookwater van gekookte spijzen, bv. de petatten ofpeurenafpeuren
ofschieëten: (heimelijk) gadeslaan, afloerenafschieten
ofstee: hoeve, bepaaldelijk een polderhoeve van een zekere omvang, in tegenstelling tot een 'postje'hofstee
olve deure: 1. letterlijk: onderste deel van een tweedelige staldeur, 2. figuurlijk: spottende benaming voor een kleine persoon, vooral een manhalve deur
ongeweerte (oengewirte) onweer
opper: ronde hooistapel. Een opper was zowel een tijdelijke hooihoop op het maaiveld, gevormd door de samenvoeging van meerdere 'ketsen' (zie het woord 'kets'), als een blijvende, ronde hooistapel op het korenerf. Zo'n blijvende hooiopper was gestapeld rond een hoge paal.opper
ossebilk: 1. letterlijk: graasweide voor ossen, 2. figuurlijk in de uitdrukking 'in den ossebilk zitten', d.i. boven de dertig zijn en nog steeds ongetrouwd zijn.ossenbilk
ovleggen: aftakelen, achteruitgaan door ziekte of ouderdom. bv. Sichtent da' Louis g'opreerd is, legt'n zeeër' ofafleggen

P

paalstake: grenspaal, bv. tussen eigendommenpaalstaak
paaltoo: mantel, bepaaldelijk een dames- of kindermantel. Voor mannen heet zo'n kledingstuk 'pardessus'palto
palufn: 1. troostend knuffelen, bv. van een kind dat zich bezeerd heeft, 2. paaien, tot rust brengenpaluffen
pardesuu: winterjas voor mannen, die tot over de knieën reikt. Voor vrouwen en kinderen heet zo'n kledingstuk 'palto'pardessus
pekkewerf: de steel van de pik, d.i. het handwerktuig waarmee vroeger graan werd gemaaidpikkewerf
persebooënn: staakbonen, in tegenstelling tot huttebonen (= struikbonen) persebonen
pieëte: houten brug over een waterloop.piet
pieëte: houten brug over een waterloop.piete
piempampoeëne: lieveheersbeestje. Toen de kinderen een pimpampoentje zagen, zongen ze: Piempampoeëntje tiederiederoeëntje vlieëg no' Jeezuus' kerk (h) oftje!lieveheersbeestje
piet: handelaar, enkel gebruikt in samenstellingen als ' vispiet' , ' vlaspiet' en ' slunsepiet' . Zie die woorden.piet
pisseblomme: paardenbloem. Zie ook melkwiet en keuneplaat.paardeloem
pleute (zowel mann. als vr.) gierigaard
plooëjweeë: tasmuurtje, d.i. het muurtje in de boerenschuur tussen de dorsvloer en de bergruimte voor ongedorste schoven (het zogenaamde 'vlek', zie dat woord) plooiweeg
poasjchenblomme: madeliefje. Ook smoutbloempasenbloem
pokeijzer om in de kachel te poken
pooketter in een rijpe zweer of steenpuist
pookezwart: zie kavezwartpokezwart
postje. Bv. Me grotvoader boerde ip Vlissegem ip e postje van e paerd.kleine boerderij met maximaal twee paarden
pregge (man of vrouw) gierigaard
prochie: oude benaming voor 'gemeente'. Bv. an de prochie zijn: een baan hebben bij de gemeenteparochie
prochiewerker: oude benaming voor een arbeider in dienst van de gemeente.parochiewerker

Q

quinquet (kiengkee) petroleumlamp

R

res: alleen gebruikt in de verbinding 'maar res' (mo'res) : 1. enkel, alleen. Bv. 'k En (h) èn nie veel' (h) oenger, 'k gon mo' res soep' eetn, en gin petatn, 2. pas, bv. 'k (h) en 't je nog mo'res gezeid en je ziet 't a'weere vergeetn!enkel; alleen
reunn: rooien van bomenreunen
rowoande: bruinschimmilig, sprekend van het haarkleed van paarden. Men onderscheidt 'baaide-rouaand' (uitspraak: boajde-rowoande) voor een schimmilig haarkleed met donkerbruine haren, en 'vosde-rouaand' (uitspraak vosde-rowoande) voor een schimmelig haarkleed met rosbruine haren.paardenvacht; haarkleed van paarden

S

schelf: ronde korenmijt. Rogge, een vrucht met lang stro, werd in 'schelven' gestapeld. Tarwe daarentegen, een vrucht met kort stro, stapelde men in 'vummen'. Zie ook vum, vim.ronde korenmijt
scheur (e) vlek: bergruimte voor ongedorste schoven in de schuur. Wordt ook kortweg ' vlek' genoemdschuurvlek
schof: 1. letterlijk: het schuiven van de wolken door de wind, bv. de wiend droajt no' de nooërden, 'k zien 't an 't schof. 2. figuurlijk: vooruitgang, schot, bv. Da' werk (h) è e heeël ende stillegeleegn, mo' nu komt d'r schof inschof 3
schof: getij, periode tussen twee maaltijden. Vroeger telde een werkdag voor boeren en landarbeiders vier 'schoven': het eerste van het krieken van de dag tot negen uur, het tweede van even na negenen tot aan het middageten, het derde van na het middageten tot aan het vieruurtje, het vierde na het vieruurtjeschof 2
schof: lade in een kast of een ander meubel. De tafellade heet 'taafelschof'schof 1
schreeëmm: huilen, wenen. Men zegt ook 'bleiten'. Het verschil tussen beide woorden is dat 'schremen' getuigt van medevoelen met de persoon die huilt, terwijl dat met 'bleiten' meestal niet het geval is. Bv. 'Je moet daarvoren niet schremen, kindje!'. Zie ook bleiten.huilen; wenen
schruuweln: schreeuwen, bv. schruuweln van 't zeer (schreeuwen van de pijn) schreeuwen
seule: emmer. Zie ook slagseule en zwijnenseule.seule
siester: oude naam voor petroleum. De mensen kochten siester om hun petroleumlampen aan te steken. Zie ook quinquetpetroleum
siesterkarrekar van de petroleumventer
siestervint: petroleumventer. De siestervint vervoerde de siester in een siesterkarpetroleumventer
sint-antoniusvier: oude benaming voor gordelroos of zonasint-antoniusvuur
skerkskorenvent
slagseule: putemmer, iets kleiner dan een gewone emmer, om water te putten uit de 'steenput' of grondwaterputputemmer
slapkapoote: verouderd woord voor 'nachtjapon'. Tegenwoordig zegt men slaapkleedslaapkapoot
slapkop: 1. zaadbol van de papaverbloem. Het melkachtige sap in de zaadbol werkt bedwelmend, vroeger doopte men er de fopspenen van kinderen in opdat ze in slaap zouden vallen; 2. ironisch gebruikt voor iemand die te lang geslapen heeft of die in slaap valt op een ongelegen momentslaapkop
slei (h) aagehaag van sleedoorn
slicht: 1. slecht. 2. misselijk, onwel, bv. ' k Worden altied slicht vanachter in een oto.slecht
sliekploate: vuile, slijkerige boel. Bv. ' k (h) èn nog mo' res gedwild en je makt' er me' je vuule voeëtn a (l) weer' e sliekploate vanslijkplaat
slierplanke (kinderspeeltuig) glijbaan
slufferspantoffels
slunse: 1. vod, doekje, 2. 'de slunse' is de oude benaming voor 'griep'vod; doekje
slunsepiet: voddenkoopman. Ook 'slonsenvent'voddenkoopman
slunsevint: 1. letterlijk: voddenkoopman, ook 'slonsenpiet', 2. figuurlijk: slordig aangekleed persoonvoddenkoopman
smoutbloem (smoetblomme. Ook pasenbloem) madeliefje
snoare: de steel van de zeis, ook ' zeisensnaar' genoemdsnaar
speelbuchtspeelgoed
sprienkvloeëd: springtij. Het tegengestelde is krankstroomspringvloed
spuugn: 1. spuwen, bv. van speeksel, 2. braken, overgeven. Het woord klinkt neutraal, in tegenstelling tot ' braken' . Zie dat woordspuwen
stake: 1. letterlijk: staak, paal, bv. in de samenstellingen bilkstake, bonestake, paalstake, telefoonstake, wrijfstake, 2. figuurlijk: dom vrouwmensstaak
stakestijf; staakestief: stokstijf, heel erg stijf of stram. Bv. Hij stond daar stakestijf van 't verschot.stokstijf
steeëmpit: grondwaterputsteenput
stekker (s) droad: prikkeldraadstekker (s) draad
stief: frequentst gebruikt versterkend bijwoord met betekenis ' zeer, heel' , bv. stierf schooëne, leeëlik, oed, loate, vroeg, goed, slicht, enz.stijf
stienkende mei: kamille (akkerkruid) kamille
stikkarre: stootkarsteekkar
stoar; storedoorschijnend gordijn
stoofhout (stoovoet) kachelhout
stoofhoutlangde; stoovoetlangde: kort, zoals een stukje stoofhout. Wordt spottend gezegd van kleine personen. Zie ook halve deurklein persoon
straatvendel (stroatevendel: persoon die hele dagen uithuizig is en overal gezien wordt langs de straten) uithuizig persoon
strange; strangestrand
strangedrifterstrandjutter
sturt: vuilnisbelt. Zie ook meszaatstort
suikeretel (suukerittel) witte dovenetel
swoateln: zwatelen, domme praat uitslaanzwatelen
swoateloare: wie domme praat uitslaatzwatelaar

T

taarteklaai (toartekloai) losbol, onbetrouwbare kerel
tas: hoop ongedorste graanschoven die opgestapeld ligt in het 'schuurvlek'. Zie dat woord.hoop ongedorste graanschoven
teer (taere: oude benaming voor tuberculose. Men zei ook 'fleurus') tuberculose
Tèttegareel; slei: sleedoorn, een gewas dat vroeger dikwijls in hagen werd aangeplant. Zie ook sleehaagsleedoorn
tjeppn: 1. Traditioneel is Tjeppen de gemeenzame roepnaam van iemand die Jozef of Joseph heette. Mijn grootvader, Joseph Devos, werd in de volksmond nooit anders dan 'Tjeppen Vos' genaamd, 2. Sint-Jozefszaag.Jozef
toezetten; toezetn: met enige haast vetrekken, ook: wegvluchten. Bv. De poliesje was te loate: den dieëf was a (l) toegezethaastig vertrekken; vluchten
Tomattegracht: toponiem (plaatsnaam) door de kinderen van de Driftweg gebruikt voor een sloot met roodachtige bodem in de duinbossen van KlemskerkeTomatengracht
toponiem (plaatsnaam) door de kinderen van de Driftweg gebruikt voor een opvallende meidoornstruik in de duinen nabij de Vosseslag, die enigszins op een negerhutje gelijktNegerhutje
touter; toeterwip, kindspeeltuig
trunte. Ook truntekous en truntesokkleinzerig, klagerig persoon
truntekous; truntekoese . Ook trunte en truntesok.kleinzerig, klagerig persoon
truntezokke: kleinzerig en klagerig persoon, vooral gezegd van een kind of een vrouwtruntesok

U

uitgeweerd (uutgewaert) Bv. Iedereen was daar, uitgeweerd de oudste dochteruitgezonderd
uttebooënn: struikbonen, in tegenstelling tot staakbonen, die bij ons ' persebonen' hetenhuttebonen
uul: 1. uil (vogel), 2. spottende benaming voor een dommerik of iemand die iets doms doet, 3. oude benaming voor de vlinder. Tegenwoordig wordt enkel nog de nachtvlinder 'uil' genoemduil
uulmachiene: spottende benaming voor een juke-box (werd gezegd in de jaren 1950-1980) huilmachine

V

varretje: brede waterloop in de polders, breder dan een 'zwin'. De Noord-Ede, een waterloop die van Oostende naar Blankenberge loopt en door Klemskerke en Vlissegem passeert, is een 'varretje'vaartje
vas: 1. vers, sprekende van spijzen, bv. vasche vis, vas brooëd, 2. pasgeboren, sprekend van een kalf. Zie ook nuchter, 3. (te) weinig gezouten, bv. Gif e ki' 't zoet, de soep' is e bitje te vasvers
verkarelen (verkoareln) verknoeien
verkiesd zien in etwadde: een spijs niet meer lusten omdat men er te vaak en te veel van heeft gegeten. Bv. Pralienn meug je nie' te dikkers eetn van je zoe' d'r verkiesd in g'raaknverkiesd zijn in iets
vernokn derm: oude volksbenaming voor acute appendicitisvernokte darm
vernoktn derm: letterlijk ' verknoopte darm' , maar toegepast op acute appendicitisvernokte darm
vismarsjang, vismersjang: vishandelaar. Ook 'vispiet'.vismarchand
vispiet: vishandelaar. Ook ' vismarchand' vispiet
vlaspiet: vlashandelaarvlaspiet
vlek: bergruimte voor ongedorste schoven in de schuur. Ook schuurvlek.vlek
vos: 1. vos (dier), 2. paard met rosbruin haarkleed. Zie ook ' vosde' vos
vosde: rosbruin, sprekend van het haarkleed van paardenvosde
Vossegat: toponiem (plaatsnaam) voor de doorgang door de duinen naar het strand aan het zee-einde van de straat VosseslagVossengat
vraagstaert: kind dat voortdurend vragen stelt. Zie ook ' curieuzeneus' en de uitdrukking ' curieuzeneuzen en vraagsteerten' vraagsteert
vriefstaake: paal in de weide waar het vee zich aan kan schuren tegen de jeukwrijfstaak
vroed: 1. zeer boos, woedend, 2. gierig, vrekkig, 3. van honden: getroffen door hondsdolheidwroed
vroedenoensbrooëd: gewijd brood dat op Sint-Hubertusdag werd gegeten ter bescherming tegen hondsdolheidvroedehondsbrood
Vrouwegilde: naam voor de vrouwenvereniging van de Christelijke arbeideresbeweging, nu Katholiekie Arbeidersvrouwen (KAV) genoemdVrouwengilde
vumme: koren- of stromijt met rechthoekig grondplan en met een zadeldak.vum
vumme: koren- of stromijt met rechthoekig grondplan en met een zadeldak. Tarwe, een vrucht met kort stro, werd in ' vummen' gezet. Rogge daarentegen, een vrucht met lang stro, werd gestapeld in ' schelven' . Zie ook schelf.vum, vim
vuulemuuln: vuilbekken, vunzige praat verkopen. Ook 'zwarte school houden'vuilemuilen

W

wasseslons (wascheslunse) washandje
wegzimpern: 1. letterlijk: in de bodem sijpelen, gezegd van regen- of afvalwater, 2. figuurlijk: heimelijk de plaat poetsenwegzimperen
weleeëre: ocharmewelhere
wet: oude benaming voor het college van burgemeester en schepenen. Bv. Heur broere zit in de wetwet
woaterveister: vensterluik. Bv. doe de woaterveisters toe, van 't go' mollejoengn braakng!watervenster

Z

zeeëduune: de duinenrij aan het strand, die de noordgrens vormt van 'de duune'. Zie ook duinzeeduin
zeisn: zeiszeisen
zie de uitdrukkingen 'tegen dek' en 'in 't dek liggen'dek
zie luttelletter
zoet melkbrood, met of zonder krentenkoekenbrood
zot: 1. ruw woord voor 'krankzinnig', 2. oud woord voor boos, kwaad, woedend. Tegenwoordig zegt men 'dol', 3. zich gek gedragend of gekke dingen zeggend. Zie ook zottenkotzot (bijvoeglijk naamwoord)
zot: 1. ruw woord voor 'krankzinnige', 2. opvliegend persoon, die licht in woede ontsteekt, die roept en tiert en anderen uitkaffert. Bv. De koks in d' (h) otels waren vroeger bijkans allemaal zotten. 3. persoon die zich gek gedraagt, gekke praat uitslaat, of wispelturig is en totaal onbetrouwbaar. Zie ook zottenkotzot (zelfstandig naamwoord)
zottekot: 1. letterlijk: psychiatrische kliniek. Het woord klinkt vandaag veel ruwer dan vroeger: toen sprak men in vrij neutrale termen bij voorbeeld van ' t zottenkot van Beernem. 2. figuurlijk: huishouden, bedrijf, enz., waar geroepen en gescholden wordt. Bv. d' Hotels waren vroeger dikkers echte zottekootn vo' die d' r werkte. 3. figuurlijk: chaotische bedoening. Bv. ' t was e zottekot ip de vergoarienge van gistravondzottenkot
Zwarte Kizzel: toponiem te Vlissegem, zie kiezelZwarte Kiezel
zwienejoenk: 1. letterlijk: het jong van een varken, 2. figuurlijk: mild-ironische benaming voor een ondeugend kindzwijnenjong
zwieneschoeë: 1. letterlijk: de hoef aan een varkenspoot, 2. figuurlijk: losbandig persoon, die zich overgeeft aan drankmisbruik en andere vormen van overdaadzwijnenschoen
zwieneseule: emmer in de keuken van hotels en restaurants, waarin men de etensresten gooit die bestemd zijn voor de varkens. Plaatselijke varkenshouders komen op geregelde tijdstippen de zwijnenseule ledigen.zwijneseule
zwienevroeëte: 1. letterlijk: de woelschijf van een varken, 2. overdrachtelijk: een koekje dat lijkt op een varkenswroetzwijnewroet
zwin: brede sloot. De 'zwins' in de polders zijn ten dele van natuurlijke oorsprong, als overblijfselen van vroegere kreken, maar ook ten dele door mensenhand gekanaliseerd. Een zwin is breder dan een gracht, maar smaller dan een vaartje. Zie vaartjezwin