Brees

Dialecten > Limburg (BE) > Brees

Brees bevat 8 gezegden, 409 woorden en 4 opmerkingen. Alle woorden zijn toegevoegd door onze bezoekers.

PDFLog in

8 gezegden

Des zjust! Det klopt geli-jk eine zwèrende vinger!Dat is waar!
Er is ein króm lötterHet kan verkeren
Hèt is allemoal gein hoar sni-jje op ne kale kopHet is allemaal niet zo makkelijk als haar snijden op een kaal hoofd
Houw di-jn mûl! (grof)Hou je bek!
Nûw zeik mich toch de stoaf ûtDat is godgeklaagd!
Vi-jf ore höb ich 't keindsj van de bûre hiêre bïiêkeVijf uur heb ik het kind van de buren horen wenen
Waat hèt er mich nûw toch weer gedoan (of 'ûtgevrète', maar dat is héél informeel)Wat heeft hij nu weer gedaan
Zûpe tot vö krûpeErg veel drinken

409 woorden

A

aafsjiêreafscheuren
aafzeênafzien
aankómeaankomen (aanraken)
achtacht
appelmoôsof appeleprótsappelmoes
aptiêkerapotheker
azi-jnazijn

B

baejebidden
beechstaolbiechtstoel
beekskeboekje
bei-einbeen
bein (kortere klank dan enkelvoud) benen
benjbanden
beroopberoep
beseng (eerste e dof, van het Franse ' bassin' ) teil (meestal groot en in zink)
besjie-ietbeschuit
bezee-eekvisite
bezee-eekebezoeken
bi-jkómeaankomen (in gewicht)
bie-iekbeek
bie-ieke, jankehuilen
bie-iekskebeekje
bie-iestdier
biegelpiemel
biekewenen
bikskebroekje
blokkestuderen
bloo-oombloem
bloodbloed
bloodworstbloedworst
BoegentBocholt
boemaoma
boempaopa
boggessekookboekweitkoek
bóksbroek
BoksemaalBroekzak
bóksetesbroekzak
boo-oorboer
bookboek
boorderiejboerderij
boorinboerin
bosbierbosbes
bottenlaarzen
braggen (met de g van het Franse gard) buitenshuis dingen doen
bree-eefbrief
bree-eevebes (laatste lettergreep doffe e) brievenbus
brègbrug
broe-oembie-ierbraambes
broëdbrood
broorbroer
bruiwerbrouwer
bruiweriejbrouwerij
bruleft (doffe e) bruiloft
buu-uuwaar (vraagwoord)
buu-uukbuik
buu-uunboon
buu-uuterboter
buu-uuterhamboterham
buurboor
buuvie-ierwaarom
BuuzeBosmans

C

camionvrachtwagen
cheerschuur (boerderij)
clownoverall (werkpak)
crèmeroomijs

D

daa-aakdak
daekedeken
de peutkoolmijn
Det klopt gelie-iek ne zwèrende vinger!Dat is waar!
dichgij
dichjij
die-iensdigdinsdag
die-ierdeur
dinkedenken
doenerdigdonderdag
doenkeldonker
doktuurdokter
doo-oon (ich doon, dich deis, hè deit, vè doo-oon, gè doot, ziej doo-oon) doen
dookdoek
driedrie
du-ulduizelig
duu-uuddood
duujdoden (meervoud)
èèrbiiêre (langgerekte klanken)aardbei

E

eiereieren
eineen
ermarm
èrpelaardappel

E

esals
estebleefalsjeblieft

F

fiepfopspeen
flitskatapult
frittefrieten

G

ga-ankgang
ga-ankhal
gaatjespitserperforator
gebuu-uure wèregeboren worden
geluu-uugegelogen
GèringeGerdingen
gezoe-endgezond
glaa-aasglas
glazerglazen
goan (ich goan, dich geis, hè geit, vè goan, gè goat, zie-iej goan, ich ging, ich ben gegangen) gaan
graa-aasgras
greengierig
greengroen
groopgroep
gui-uidgoud
guiwegouden
guujegooien

H

hebbe (met doffe e; ik heb, dich hebs, hè hè-èt, vè hebbe, gè hebt, zie-iej hebbe) hebben
hêgesjie-ierheggenschaar
heiven sjetenknikkeren
heiversnaar huis
het gijt neethet gaat niet
hie-iene (ich be-en hie-iene) weg (ik ben weg)
hieringharing
hiesketoilet
himmehemd
hinkip
ho-orspanghaarspeld
hoengerhonger
HollejnjerHollander
hookhoek
Houw dien muul! Houw diej bakkes!Hou je bek!
huiwe (ich huiw, dich huiws, hè huiwt, vè huiwen, gè huiwt, zie-iej huiwe) slaan
huu-uuftuin
huu-uushuis
huughoog

I

ichik
ichterenOp bezoek gaan
ie-ienere doonmiddagdutje doen
ie-iesijs
ientsjajuin
immeremmer
inkbiegeleekhoorn
inkbigeleekhoorn
ItterOpitter

J

jing, wichter, keinjerkinderen
joe-oenkkind
joekelschommel
joengjongen

K

kaazellen of kaazeleirverklappen
kakstoolkinderstoel
kalderkelder
kallespreken
kamerèjvrienden
karskaars
kazeleklikken
keindsjkind
keinersjolkleuterschool
kepel (eerste lettergreep dof) kapel
kestie-ielkasteel
kie-ierskers
kie-ieskaas
kie-ietelketel
kie-ietelskeutels
killeschaaischaduw
kleierkleren
kleierkastkleerkast
kleiermakerkleermaker
klinikziekenhuis
knauwelkekleine mens
knie-ienkonijn
knienkonijn
knienkonijnen
ko-odkwaad
korskoorts
krebuu-uutbalkenbrij
kreevelekietelen
kroepenkruipen
krukarkruiwagen
kruu-uutbiet
kruukarkruiwagen
kuiskous
kuu-uutgat
kuu-uut, gaa-aatgat
kuujkoe
kwakkertkikker

L

leeflief
LeiLeo
lie-iepellepel
lie-iereleren
lie-ieveslienwasdraad
lieglaag
lieliklelijk
lots, tutterfopspeen van baby
luipenlopen
luu-uudgeeterloodgieter

M

maalplakzakdoek
mager spee-eerslanke den
mêg (tussen e en i in) mug
meigdemeisjes
meistermeester
mesjienmachine
metdoonmeedoen
Mezei-eik (eerste lettergreep doffe e) Maaseik
Mezi-ekMuziek
michme
mieglikmogelijk
mijsterschoolmeester
mikwit brood
mins, manskèrel | mansliejman | mannen
misjienmisschien
mo-onmaan
mo-ondigmaandag
moe-oendmond
moekske, muulekekusje
moo-oormuur
moojerhuu-uuskraamkliniek
mulekezoen
muu-uurwaterketel
muulbek
muuzekie-ietelkeshagelslag

N

naasneus
naftbenzine
nejenaaien
nejsternaaister
NèrootereNeeroeteren
nie-iegenegen
nistelnestel
no-oldnaald
noaberburen
noe-oenkeloom
nuuwjoarnieuwjaar

O

o-ojemeademen
oajemadem
oajemeademen
oomzeikselmier
op de puuzjak koemepaardje rijden
Ôpglabbek (doffe e) Opglabbeek
Ótoôauto

P

pakke (ich pak, dich piks, hè pikt, vè pakke, gè pakt, zie-iej pakke) nemen
papsjoalkleuterschool
peirdepaarden
pèperpeper
pèrpeer
perikworm
pèskeperzik
pestuurpastoor
petataardappel
pienpijn
pinnekes, lie-ievespinkeswasknijpers
pitseknijpen
plekba-andplakband
plekkeplakken
ploembère (van het Franse plomb: lood) vullen (van tanden)
plogenploegen
ploogploeg
poempebakgootsteen
poemperne-eltol (speelgoed)
potsoekkerbruine suiker
preepuree
preesalaris
preesterpriester
pruu-uuperproper
puierpoeder
puu-uutwortel
puu-uutestoe-oempwortelpuree
puutsvruiwwerkster (poetsvrouw)

R

reekriek (werktuig)
rêsthuu-uusbejaardentehuis
rezenère (van het Franse raisonner) overleggen
riekenruiken
riezingeruzie maken
rizingruzie
RoajGruitrode
ruikenroken
ruu-uutruit
ruuj beetrode bieten

S

sepapventiel
sjaatseschaatsen
sjeeteschieten
sjeetgewie-iergeweer
sjeijescheiden
sjeilscheel
sjeulftzolder in schuur of stalling
sjeupschop (werktuig)
sjeuwschouw
sji-jtlûsangsthaas
sjie-ierescheuren
sjie-ietekakken
sjiepschip
sjierschaar
sjieskoets kinderwagen
sjieufschuif lade
sjoaltasboekentas
sjoenkhesp
sjolschool
sjol!proost!
sjolkschort
sjolkvoorschot (vrouw)
sjoo-oonschoen
sjoo-oonmakerschoenmaker
sjoreniets afschuren
sjrie-ienwerker (werk met doffe e) timmerman
sjrierkleermaker
sjrieveschrijven
sjrievenschreeuwen
sjruu-uupsiroop
sjruufschroef
sjuiwschoorsteen
sjuiwerschouder
sjûtelplakafwasdoek of vaatdoek
sjuu-uuteldookvaatdoek
sjuunmooi
sjuuwbang
slaagmie-ielewatermolen
slachterslager
slachthuu-uusslachthuis
slekslak
slie-ietelsleutel
sloape (ich sloap, dich sleeps, hè sloapt, vè sloape, gè sloapt, zie-iej sloape) slapen
smie-ieresmeren
smie-ierlapsmeerlap
sniejbuu-uunesnijbonen
soekersuiker
soekerbuu-uunesuikerbonen
sopsoep
spangveiligheidsspeld
spegelglaatspekglad
speksoppegebakken spek eten en roggebrood in het braadvet soppen
staasiestation
stekskelucifer
sto-ofvleisstoofvlees
stoo-oolstoel
stroatstraat
stui-uitstout
stuupstoep

T

tantisttandarts
TeijTheo
telleersoepbord
tenjtanden
teuwtoe
tie-ientien
tleerbord
ToengerloTongerlo
toerneviesschroevendraaier
troemeletrommelen
truiwetrouwen
tuu-uuttas (draagzak)
twietwee

U

uchterenbezoeken
uigoog
urenoren
uu-uutuit
uu-uutlacheuitlachen
uu-uutvrèteuitspoken
uujevaarooievaar
uulieolie
uupenopen
uuroor

V

wij
vee-eervuur
veervier
velofiets
verkevarken
verlee-eefdverliefd
verleesverlies
verlezeverliezen
versjetvork
vessen (doffe e) vissen
vie-iefvijf
vievervijver
vinstervenster
vlee-eegvlieg
vlegenvliegen
vlegervliegtuig
vlei-eisvlees
vloorvloer
voo-oot, vee-eetvoet, voeten
vreigelekibbelen
vrèklap, zeikerdrotzak
vrie-iejdigvrijdag
vroagvraag
vruiw, vruilievrouw, vrouwen
vui-uikvolk
vuu-uul, smie-ierigvuil
vuugelvogel

W

WaalWel
wie
wè-ègweg (straat)
wêchtsjemeisje
weigrijbaan, weg
wiehoe
wie-iezewijzen
wienie-iewanneer
wiezewhisten
woarwaar
woe-oensdigwoensdag

Z

zaatdronken
zee-eekziek
zee-eenzien
zeikwurmmier
zeiverairzeveraar
zes (doffe e) zes
zètelzetel
zie-iezee
zie-iemslapzeem
zie-ievezeven
zjatkoffietas
zjustnet (juist)
zoa-oaterdigzaterdag
zoenzon
zoenigzondag
zuu-uuzo
zuu-uumerzomer
zwaarszwoerd
zwiélevtzwaluw

4 opmerkingen

  1. Er wordt minder en minder dialect gesproken dan vroeger : dat vind ik heel jammer, het brees dialect is zo Sappig!!!
  2. Opmerking bij buitenshuis dingen doen, braggen:
    Deze uitdrukking heeft een enigszins afkeurende connotatie, iemand die zijn of haar verantwoordelijkheden thuis ontloopt en in plaats daarvan liever elders plezier maakt.
  3. Opmerking bij fototoestel:
    'Kedak' verwijst naar het merk Kodak, indertijd een populair merk voor fototoestellen, een beetje zoals je 'bic' zegt in plaats van 'pen'. Frappant is dat hier een samenstelling wordt gebruikt van het product en het merk. Het accent ligt op de laatste lettergreep.
  4. Opmerking bij gezegde 'Es is ein kroem letter':
    'Es' verwijst zowel naar het woord als, als naar de letter 's'. Het betekent dat je op voorhand niet alles kunt weten, het leven is soms onvoorspelbaar - zoals een kromme letter.