Nieuwsoverzicht

10 termen uit de scheepvaart die ook landrotten graag gebruiken

  • 0
  • 2478

“Duizend bommen en granaten", bulderde de whisky drinkende Kapitein Haddock uit de stripboeken over Kuifje regelmatig over het dek. Jammer genoeg is deze veelzeggende krachtterm inmiddels vervangen door andere, saaiere scheldwoorden. Tegenwoordig putten we nog steeds uit de vroegere scheepvaarttaal. Grote kans dat je iedere dag wel een woord of term uit de scheepvaart gebruikt, ook al ben je geen schipper of matroos. Vaak weten we niet eens waar die uitspraken eigenlijk vandaan komen. Hieronder een kleine selectie. Hoe vaak gebruik jij ze nog?

  1. OkayIn orde, klaar
    Oké is een verbastering van het Franse 'Au quay', dat ‘op de kade’ betekent. Het verwijst naar de scheepslading, die aan wal is gesjouwd. Het schip is gelost, klaar is Kees. Okay!

  2. Aftakelen - Minder goed, minder mooi maken
    Als je een schip aftakelt haal je alle tuigage eraf en soms ook de masten en rondhouten. Logisch dat een kaal schip lang zo mooi niet is, en in ieder een stuk minder bruikbaar dan een volledig uitgerust schip.
     
  3. Aan de bak zijn - Aan de beurt zijn
    Op een zeeschip kreeg het scheepsvolk zijn eten opgeschept aan de bak, ook wel de balie. Omdat er veel bemanning aan boord was, was het vaak dringen om aan de bak te komen. Grote kans dat niet iedereen een maaltje kreeg..
     
  4. De eindjes aan elkaar knopen - Zuinig moeten zijn
    Een eind is in scheepvaarttermen een stuk touw. Als je geen geld had voor een langer touw, of je wilde er niet zo veel aan uitgeven, knoopte je de eindjes aan elkaar om zo toch een lang stuk touw te krijgen.
     
  5. Op eigen houtje - Zelfstandig
    Voer je op je eigen schip, en was je geen verantwoording schuldig aan reders of geldschieters, dan werkte je als zelfstandige op je eigen houtje (scheepje).
     
  6. Van de kaart zijn -  Ontsteld zijn, niet weten wat te doen
    Stuurde de kapitein zijn schip per abuis naar een gebied waar men geen zeekaarten van had, dan was hij helemaal ‘van de kaart’. Hij wist niet  goed meer waar hij zich precies bevond.
     
  7. Buiten westen zijn - Bewusteloos zijn
    In vroeger eeuwen hield de wereld in het westen op. Kwam je met je schip toch te westelijk, dan raakte je ‘van de kaart' en wist je, net als iemand die bewusteloos is, niet meer waar je was.
     
  8. Kantje boord Het gaat maar net goed
    Wanneer je tussen de opstaande randen (boorden) rond het dek van een schip staat ben je ‘aan boord’. Als het schip bij zwaar weer erg slingert en het boord met de bovenrand onder water komt is het nog maar de vraag of het zich weer opricht.
     
  9. Met de Noorderzon vertrekken In het donker weggaan
    18e-eeuwse zeelui verdeelden een etmaal in acht delen van drie uur, elk genoemd naar de stand van de zon in die uren. Zo was het om 6 uur 's morgens Oosterzon; om 9 uur 's morgens Zuidoosterzon; 12 uur 's middags Zuiderzon; 3 uur 's middags Zuidwesterzon; 6 uur 's avonds Westerzon; 9 uur 's avonds Noordwesterzon; om middernacht Noorderzon; en om 3 uur 's nachts Noordoosterzon.
     
  10. OpdirkenOpzichtig en niet stijlvol aankleden en opmaken
    Op een schip is de ‘dirk’ de lijn waarmee de giek wordt opgehouden wanneer er niet wordt gezeild. Deze lijn wordt ook gebruikt om het stilliggende schip bij bepaalde gelegenheden met vlaggen te versieren; het schip wordt dan opgedirkt.

 

Bronnen:
www.debinnenvaart.nl/binnenvaarttaal/lijsten/lijsten.php?lijst=spreekwoorden
www.vaartips.nl/tipu.htm#uitdrukkingen
www.encyclo.nl/
fotografie:
www.pexels.com