NL: zwammenSynonyms: leuteren, zwetsen, zeveren, lullen, wauwelen, spreken, snateren, praten, kwetteren, kwekken, kwebbelen, kletsen, klappen, kakelen, babbelen
FR: zwammen (kletspraat verkopen): radoter, baragouiner, cancaner, parler dans le vide, papoter, caqueter, jacasser, dire des bêtises
| Voltooid deelwoord |
gezwamd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
ik zwam jij zwamt hij zwamt wij zwammen jullie zwammen zij zwammen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
ik heb gezwamd jij hebt gezwamd hij heeft gezwamd wij hebben gezwamd jullie hebben gezwamd zij hebben gezwamd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
ik zwamde jij zwamde hij zwamde wij zwamden jullie zwamden zij zwamden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
ik had gezwamd jij had gezwamd hij had gezwamd wij hadden gezwamd jullie hadden gezwamd zij hadden gezwamd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
ik zal zwammen jij zult zwammen hij zal zwammen wij zullen zwammen jullie zullen zwammen zij zullen zwammen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
ik zal gezwamd hebben jij zult gezwamd hebben hij zal gezwamd hebben wij zullen gezwamd hebben jullie zullen gezwamd hebben zij zullen gezwamd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
ik zou zwammen jij zou zwammen hij zou zwammen wij zouden zwammen jullie zouden zwammen zij zouden zwammen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
ik zou gezwamd hebben jij zou gezwamd hebben hij zou gezwamd hebben wij zouden gezwamd hebben jullie zouden gezwamd hebben zij zouden gezwamd hebben
|
| Gebiedende wijs |
zwam
|