NL: tegensprekenSynonyms: ontkennen, protesteren, tegenwerpen, weerspreken, , opponeren
EN: protest, refute, remonstrate, rebut, deny, object
DE: protestieren, widersprechen, bestreiten
| Voltooid deelwoord |
tegengesproken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
ik spreek tegen jij spreekt tegen hij spreekt tegen wij spreken tegen jullie spreken tegen zij spreken tegen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
ik heb tegengesproken jij hebt tegengesproken hij heeft tegengesproken wij hebben tegengesproken jullie hebben tegengesproken zij hebben tegengesproken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
ik sprak tegen jij sprak tegen hij sprak tegen wij spraken tegen jullie spraken tegen zij spraken tegen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
ik had tegengesproken jij had tegengesproken hij had tegengesproken wij hadden tegengesproken jullie hadden tegengesproken zij hadden tegengesproken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
ik zal tegenspreken jij zult tegenspreken hij zal tegenspreken wij zullen tegenspreken jullie zullen tegenspreken zij zullen tegenspreken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
ik zal tegengesproken hebben jij zult tegengesproken hebben hij zal tegengesproken hebben wij zullen tegengesproken hebben jullie zullen tegengesproken hebben zij zullen tegengesproken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
ik zou tegenspreken jij zou tegenspreken hij zou tegenspreken wij zouden tegenspreken jullie zouden tegenspreken zij zouden tegenspreken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
ik zou tegengesproken hebben jij zou tegengesproken hebben hij zou tegengesproken hebben wij zouden tegengesproken hebben jullie zouden tegengesproken hebben zij zouden tegengesproken hebben
|
| Gebiedende wijs |
spreek tegen
|