NL: marchanderenSynonyms: afdingen, afpingelen, onderhandelen, pingelen, sjacheren
EN: negotiate, bargain, mediate, haggle
FR: négocier, rabattre, marchander, servir de médiateur dans
DE: herunterhandeln, handeln, feilschen, abhandeln, abfeilschen
ES: negociar, regatear
| Voltooid deelwoord |
gemarchandeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
ik marchandeer jij marchandeert hij marchandeert wij marchanderen jullie marchanderen zij marchanderen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
ik heb gemarchandeerd jij hebt gemarchandeerd hij heeft gemarchandeerd wij hebben gemarchandeerd jullie hebben gemarchandeerd zij hebben gemarchandeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
ik marchandeerde jij marchandeerde hij marchandeerde wij marchandeerden jullie marchandeerden zij marchandeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
ik had gemarchandeerd jij had gemarchandeerd hij had gemarchandeerd wij hadden gemarchandeerd jullie hadden gemarchandeerd zij hadden gemarchandeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
ik zal marchanderen jij zult marchanderen hij zal marchanderen wij zullen marchanderen jullie zullen marchanderen zij zullen marchanderen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
ik zal gemarchandeerd hebben jij zult gemarchandeerd hebben hij zal gemarchandeerd hebben wij zullen gemarchandeerd hebben jullie zullen gemarchandeerd hebben zij zullen gemarchandeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
ik zou marchanderen jij zou marchanderen hij zou marchanderen wij zouden marchanderen jullie zouden marchanderen zij zouden marchanderen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
ik zou gemarchandeerd hebben jij zou gemarchandeerd hebben hij zou gemarchandeerd hebben wij zouden gemarchandeerd hebben jullie zouden gemarchandeerd hebben zij zouden gemarchandeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
marchandeer
|