NL: jankenSynonyms: brullen, dreinen, gillen, huilen, schreeuwen, krijsen, wenen, snotteren, snikken, grienen
FR: piailler, rugir, glapir, hurler, crier, mugir, beugler
DE: schreien, toben, brüllen, heulen, jubeln, johlen, jauchzen, keifen, herausschreien, lautauf schreien
ES: llorar, dar alaridos, gritar, chillar, aullar, rugir, bramar, vociferar, ulilar
| Voltooid deelwoord |
gejankt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
ik jank jij jankt hij jankt wij janken jullie janken zij janken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
ik heb gejankt jij hebt gejankt hij heeft gejankt wij hebben gejankt jullie hebben gejankt zij hebben gejankt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
ik jankte jij jankte hij jankte wij jankten jullie jankten zij jankten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
ik had gejankt jij had gejankt hij had gejankt wij hadden gejankt jullie hadden gejankt zij hadden gejankt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
ik zal janken jij zult janken hij zal janken wij zullen janken jullie zullen janken zij zullen janken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
ik zal gejankt hebben jij zult gejankt hebben hij zal gejankt hebben wij zullen gejankt hebben jullie zullen gejankt hebben zij zullen gejankt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
ik zou janken jij zou janken hij zou janken wij zouden janken jullie zouden janken zij zouden janken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
ik zou gejankt hebben jij zou gejankt hebben hij zou gejankt hebben wij zouden gejankt hebben jullie zouden gejankt hebben zij zouden gejankt hebben
|
| Gebiedende wijs |
jank
|