| bellen (verb), opbellen (verb), telefoontje plegen (verb), iemand opbellen (verb), betrouwbaar, degelijk, deugdelijk, logisch, aannemelijk, solide, gegrond, gefundeerd, steekhoudend, op goede gronden steunend, geluid (de ~ (m)), rumoer (het ~), klinken (verb), luiden (verb), klank voortbrengen (verb), toon (de ~ (m)), klankgeluid (noun), timbre (het ~), intonatie (de ~ (f)), klankkleur (de ~), klanktint (noun), gedegen, van goede hoedanigheid, sonderen (verb), met sonde onderzoeken (verb), degelijke, beieren (verb), weerkaatsen (verb), galmen (verb), schallen (verb), weerklinken (verb), resoneren (verb), echoën (verb), weergalmen (verb), weerschallen (verb), klokluiden (verb), solvent, kredietwaardig, solvabel, doorklinken (verb), zeestraat (de ~), zeeëngte (noun), doortimmerd |
| klap (de ~ (m)), roddel (de ~ (m)), roddels (de ~), praatjes (de ~), klets (de ~), geklets (het ~), achterklap (de ~ (m)), geroddel (het ~), geklap (het ~), roddelpraat (de ~ (m)), geklep (noun), gelui (het ~), klokgelui (het ~), gebeier (het ~) |