| in conclusion |
| conclusie (de ~ (f)), slotbeschouwing (de ~ (f)), ter afsluiting |
| peak |
| top, hoogtepunt (het ~), piek (de ~), toppunt (het ~), zenit (het ~), hoogst haalbare (noun), bergtop (de ~ (m)), kruin (de ~), hoogste punt (noun), climax (de ~ (m)), voornaamst, opperste, bergspits (noun), rotspunt (de ~ (m)) |
| top |
| dak (het ~), kap (de ~ (m)), koepel (de ~ (m)), overkapping (de ~ (f)), afdekkap (noun), overdekking (de ~ (f)), top, hoogtepunt (het ~), piek (de ~), toppunt (het ~), summum (het ~), hoogst haalbare (noun), bergtop (de ~ (m)), kruin (de ~), hoogste punt (noun), climax (de ~ (m)), knotten (verb), dop (de ~ (m)), sluitdop (de ~ (m)), bovenste, huif (de ~), hoger bieden (verb), afknotten (verb) |
| ending |
| slot (het ~), einde (het ~), sluiting (de ~ (f)), beëindiging (de ~ (f)), end (het ~), aflopend, eindigend |
| concluding remarks |
| conclusie (de ~ (f)), slotbeschouwing (de ~ (f)), conclusies (de ~), einden (de ~), afsluitingen (de ~), slotsommen (de ~), slotbeschouwingen (de ~) |
| concluding observations |
| conclusie (de ~ (f)), slotbeschouwing (de ~ (f)) |
| zenith |
| top (adj. / adv.), hoogtepunt (het ~), piek (de ~), toppunt (het ~), zenit (het ~), climax (de ~ (m)) |
| highest point |
| hoogtepunt (het ~), climax (de ~ (m)) |
| culmination |
| hoogtepunt (het ~), climax (de ~ (m)), culminatie (de ~ (f)) |
| climax |
| top (adj. / adv.), hoogtepunt (het ~), piek (de ~), toppunt (het ~), summum (het ~), zenit (het ~), climax (de ~ (m)), orgasme (het ~) |
| pinnacle |
| top (adj. / adv.), hoogtepunt (het ~), piek (de ~), toppunt (het ~), zenit (het ~), hoogst haalbare (noun), bergtop (de ~ (m)), climax (de ~ (m)) |
| result |
| gevolg (het ~), resultaat (het ~), effect (het ~), consequentie (de ~ (f)), uitvloeisel (het ~), voortvloeisel (het ~), uitkomst (de ~ (f)), afloop (de ~ (m)), conclusie (de ~ (f)), gevolgtrekking (de ~ (f)), slotsom (de ~), eindsom (noun), voortvloeien uit (verb), hoogtepunt (het ~), climax (de ~ (m)), rekensom (de ~), rekenopgave (noun) |
| end |
| aankomen, eindigen, finishen, stoppen, afsluiten, beëindigen, ophouden, een einde maken aan, halthouden, naar einde toewerken, besluiten, beslissen, afronden, afwerken, afmaken, klaarmaken, voltooien, volbrengen, completeren, volmaken, afkrijgen, klaarkrijgen, slot (het ~), sluiting (de ~ (f)), beëindiging (de ~ (f)), finale (de ~), afstand (de ~ (m)), eindpunt (het ~), distantie (de ~ (f)), aflopen, ten einde lopen, teneindelopen, belanden, terechtkomen, geraken, verzeilen, begrenzen, afgrenzen, van grenzen voorzien, end (het ~) |