| lace |
| kant (de ~ (m)), kantkloswerk (noun), kantwerk (het ~), rijgen (verb), dichtsnoeren (verb), dichtrijgen (verb), tres (de ~), galon (de ~ (m)), omzoming (de ~ (f)), kanten |
| cotton |
| draad (de ~ (m)), garen (het ~), rijgsnoer (het ~), hechtdraad (de ~ (m)), katoen (de ~ (m)), katoenstof (noun), boomwol (noun), katoenen |
| concatenation |
| serie (de ~ (f)), rij (de ~), keten (de ~), reeks (de ~), aaneenschakeling (de ~ (f)) |
| packthread |
| bindgaren (het ~), bindtouwen (de ~) |
| thread |
| draad (de ~ (m)), garen (het ~), rijgsnoer (het ~), hechtdraad (de ~ (m)), schroefdraad (de ~ (m)), draadje (noun) |
| yarn |
| draad (de ~ (m)), garen (het ~), rijgsnoer (het ~), hechtdraad (de ~ (m)) |
| succession |
| serie (de ~ (f)), rij (de ~), keten (de ~), reeks (de ~), aaneenschakeling (de ~ (f)), opvolging (de ~ (f)), successie (de ~ (f)), opeenvolging (de ~ (f)), erfopvolging (de ~ (f)) |
| sequence |
| serie (de ~ (f)), rij (de ~), keten (de ~), reeks (de ~), aaneenschakeling (de ~ (f)), cyclus (de ~ (m)), opvolging (de ~ (f)), successie (de ~ (f)), opeenvolging (de ~ (f)), samenvoeging (de ~ (f)), samentrekking (de ~ (f)), sequentie (de ~ (f)), sequens (de ~), vervolgdeel (het ~) |
| wisp |
| sliert (de ~ (m)), slingervormig ding (noun) |
| cant |
| rijgen, dichtsnoeren, dichtrijgen, femelen |
| tie |
| vastleggen, vastketenen, vastkluisteren, verbinden, samenbinden, aan elkaar binden, aaneenbinden, das (de ~ (m)), sjaal (de ~ (m)), shawl (de ~ (m)), halsdoek (de ~ (m)), vastmaken, knopen, vastbinden, strikken, knevelen, in de val laten lopen, vastknopen, aan elkaar knopen, vastsjorren, rijgen, dichtsnoeren, dichtrijgen, stropdas (de ~), handenbinder (de ~ (m)), handenbindertje (het ~) |
| tack up |
| rijgen, dichtsnoeren, dichtrijgen |
| twine |
| bindgaren (het ~), bindtouwen (de ~), vlechten, strengelen, ineenvlechten, invlechten, vlechten in |
| chain |
| vastleggen, vastketenen, vastkluisteren, serie (de ~ (f)), rij (de ~), reeks (de ~), aaneenschakeling (de ~ (f)), cyclus (de ~ (m)), ketting (de ~), snoer (het ~), boei (de ~), aaneengeschakelde ringen om iemand mee vast te binden (noun), halsketting (de ~), halssnoer (het ~), kettinkje (het ~), samenvoeging (de ~ (f)), samentrekking (de ~ (f)), kabel (de ~ (m)), kabeltouw (het ~), scheepskabel (noun), winkelketen (de ~), boeien, scheepstouw (noun), grootwinkelbedrijf (het ~) |
| trail |
| weg (adj. / adv.), baan (de ~ (m)), afstand (de ~ (m)), traject (het ~), route (de ~), pad (de ~), ronde (de ~), etappe (de ~), tournee (de ~ (f)), baanvak (het ~), slepen, sliert (de ~ (m)), slingervormig ding (noun) |