| cloven |
| gespleten, gevorkt |
| cut up |
| hakken (verb), in stukken hakken (verb), verscheurd, opensnijden (verb), versnipperen (verb), verknippen (verb), kleinmaken (verb), versnijden (verb), fout knippen (verb) |
| separate |
| apart, bijzonder, uniek, enig, onvergelijkbaar, enig in zijn soort, onvergelijkelijk, gescheiden, afzonderlijk, op zich, vrijstaand, alleenstaand, separaat, losstaand, op zichzelf staand, geïsoleerd, los van elkaar, splitsen (verb), loskoppelen (verb), uitsplitsen (verb), uit elkaar halen (verb), uiteengaan (verb), afscheiden (verb), afzonderen (verb), afsplitsen (verb), separeren (verb), uiteenhalen (verb), uit elkaar gaan (verb), van elkaar gaan (verb), hakken (verb), in stukken hakken (verb), besloten, privé, isoleren (verb), apart zetten (verb) |
| cleft |
| gat (het ~), opening (de ~ (f)), scheur (de ~), split (het ~), kloof (de ~), uitsparing (de ~ (f)), reet (de ~), barst (de ~ (m)), groef (de ~), inkeping (de ~ (f)), gleuf (de ~), sleuf (de ~), kier (de ~), bergkloof (de ~), bergspleet (noun), rotskloof (noun), gespleten, gevorkt, spouw (de ~), ravijn (het ~), rotsspleet (de ~), kuiltje (het ~) |
| trench |
| opening (de ~ (f)), gleuf (de ~), sleuf (de ~), kier (de ~), langwerpige uitholling (noun), greppel (de ~), loopgraaf (de ~), gekapt pad (noun) |
| slot |
| opening (de ~ (f)), gleuf (de ~), sleuf (de ~), kier (de ~) |
| division |
| afdeling (de ~ (f)), tak (de ~ (m)), departement (de ~), sectie (de ~ (f)), detachement (de ~), divisie (de ~ (f)), verdeling (de ~ (f)), scheiding (de ~ (f)), segregatie (de ~ (f)), verbreking (de ~ (f)), conflict (het ~), twist (de ~ (m)), onenigheid (de ~ (f)), verdeeldheid (de ~ (f)), tweestrijd (de ~ (m)), vete (de ~), scheuring (de ~ (f)), schisma (het ~), tweespalt (de ~), tweedracht (de ~), disharmonie (de ~ (f)), splitsing (de ~ (f)), vertakking (de ~ (f)), aftakking (de ~ (f)), brigade (de ~ (f)), hoofdgroep (de ~) |
| cut up in pieces |
| hakken, in stukken hakken |
| beat it |
| 'm smeren, 'm piepen, opkrassen, oprotten, opflikkeren, opdonderen, ophoepelen, inrukken, oplazeren |
| skedaddle |
| opkrassen |
| tear off |
| scheiden, splitsen, afscheiden, afzonderen, afsplitsen, separeren, afscheuren, afrukken |
| differentiate |
| scheiden, splitsen, afscheiden, afzonderen, afsplitsen, separeren, nuanceren, schakeren, onderscheid aanbrengen in, onderscheiding (de ~ (f)), maken van onderscheid (noun), differentiëren |
| divide |
| verdelen, verkavelen, scheiden, splitsen, loskoppelen, uitsplitsen, uit elkaar halen, uiteengaan, hakken, in stukken hakken |
| part |
| onderdeel (het ~), stuk (adj. / adv.), component (de ~ (m)), element (de ~ (m)), bestanddeel (het ~), ingrediënt (het ~), fractie (de ~ (f)), basisbestanddeel (het ~), gedeelte (het ~), part (de ~), aandeel (het ~), scheiden, splitsen, loskoppelen, uitsplitsen, uit elkaar halen, uiteengaan, uit elkaar gaan, van elkaar gaan, portie (de ~ (f)), segment (het ~), deeltje (de ~), onderdeeltje (het ~) |
| divorce |
| scheiden, splitsen, loskoppelen, uitsplitsen, uit elkaar halen, uiteengaan, uit elkaar gaan, scheiding (de ~ (f)), segregatie (de ~ (f)), verbreking (de ~ (f)), echtscheiding (de ~ (f)) |
| sever |
| scheiden, splitsen, loskoppelen, uitsplitsen, uit elkaar halen, uiteengaan, opheffen, beëindigen, afbreken, ontbinden, verbreken, forceren, verbrijzelen, stukmaken |
| crack |
| scheiden, splitsen, loskoppelen, uitsplitsen, uit elkaar halen, uiteengaan, splijten, kloven, klieven, uiteensplijten, breuk (de ~), scheur (de ~), barst (de ~ (m)), krak (de ~ (m)), knakken, kraken, openbreken, losbreken, een krakend geluid maken, huizen kraken, knallen, explosie (de ~ (f)), ontploffing (de ~ (f)), bam (noun), aan stukken springen, knappen, knik (de ~ (m)), crack (de ~ (m)), kei (de ~ (m)), geweldenaar (de ~ (m)), coryfee (de ~), opensperren, kiertje (het ~), openrukken |
| chop |
| splitsen, splijten, kloven, klieven, uiteensplijten, hakken, fijnhakken, kleinhakken, karbonade (de ~ (f)), kotelet (de ~) |
| chop up |
| splitsen, splijten, kloven, klieven, uiteensplijten, stukhakken |
| chop into small pieces |
| splitsen, splijten, kloven, klieven, uiteensplijten |
| notch |
| opening (de ~ (f)), gleuf (de ~), sleuf (de ~), kier (de ~), keep (de ~ (m)), inkeping (de ~ (f)), kerf (de ~ (m)), inkerving (de ~ (f)), kerven, in hout schrijven, kerfsnede (noun), insnijden, creneleren, kepen, inkerven, inkepen, een inkeping maken, soort vink (noun), kartelen, kartels krijgen |
| groove |
| opening (de ~ (f)), gleuf (de ~), sleuf (de ~), kier (de ~), langwerpige uitholling (noun), keep (de ~ (m)), inkeping (de ~ (f)), kerf (de ~ (m)), inkerving (de ~ (f)), geul (de ~), vaargeul (de ~), groef (de ~), groeve (de ~), groeven, insnijden, inkerven, kerfsnede (noun) |
| tear |
| benadrukken, accentueren, huilen, tranen, tranen afscheiden, scheuren, inscheuren, torn (de ~ (m)), verscheuren, kapot scheuren, openscheuren, losscheuren, openrijten, winkelhaak in kleding (noun) |
| rip |
| torn (de ~ (m)), scheur (de ~), verscheuren, kapot scheuren, ergens uitscheuren |
| rent |
| huur (de ~), huurprijs (de ~ (m)), huursom (de ~), huishuur (de ~), verhuren, torn (de ~ (m)), scheur (de ~), pachten |
| split open |
| splitsen, splijten, kloven, klieven, uiteensplijten, openhakken |