| cut |
| korting (de ~ (f)), reductie (de ~ (f)), prijsverlaging (de ~ (f)), prijsvermindering (noun), steken (verb), prikken (verb), steken geven (verb), aanvoeren (verb), opperen (verb), aankaarten (verb), opwerpen (verb), aansnijden (verb), ter sprake brengen (verb), entameren (verb), te berde brengen (verb), op tafel leggen (verb), afsnijden (verb), besparing (de ~ (f)), bezuiniging (de ~ (f)), kostenbesparing (de ~ (f)), verkorting (de ~ (f)), inkrimping (de ~ (f)), bekorting (de ~ (f)), besnoeiing (de ~ (f)), doorhakken (verb), kloven (verb), klieven (verb), doorklieven (verb), doormidden hakken (verb), doorhouwen (verb), in tweeën houwen (verb), keep (de ~ (m)), inkeping (de ~ (f)), kerf (de ~ (m)), inkerving (de ~ (f)), korten (verb), kort knippen (verb), kort maken (verb), kappen (verb), coifferen (verb), snee (de ~), snede (de ~), jaap (de ~ (m)), insnijding (de ~ (f)), snijwond (noun), ontering (de ~ (f)), snit (de ~), doorknippen (verb), kerven (verb), in hout schrijven (verb), gekuist, zedig gemaakt, snijwerk maken (verb), een knippend geluid maken (verb), snerpen (verb), gesneden, coupure (de ~), sneetje (het ~), snijwondje (noun), houtsnijden (verb) |
| trill |
| triller (de ~ (m)) |
| tremor |
| rillen (verb), bibberen (verb), rilling (de ~ (m)), huivering (de ~ (f)), siddering (de ~ (f)), trilling (de ~ (f)), tremor (de ~ (m)) |
| frighten |
| schokken, laten schrikken, intimideren, terroriseren, tiranniseren, vrees aanjagen, beangstigen, benauwen, verschrikken, bangmaken, angst aanjagen, doen schrikken |
| startle |
| verrassen, iets onverwachts doen, schokken, laten schrikken, verontrusten, ontstellen, intimideren, terroriseren, tiranniseren, vrees aanjagen |
| jolt |
| schokken, laten schrikken, stoten, hobbelen, schuddend op en neer gaan |
| quake |
| beven, sidderen |
| vibrate |
| schijnen, stralen, sprankelen, flikkeren, glanzen, fonkelen, twinkelen, trillen, vibreren |
| quaver |
| trillen, vibreren |
| shiver |
| schudden, trillen, beven, vibreren, bibberen, rilling (de ~ (m)), huivering (de ~ (f)), siddering (de ~ (f)), huiveren, griezelen, gruwen, klappertanden, kleumen, koulijden, verstijven, ijzen, door afgrijzen bevangen worden |
| shudder |
| trillen, vibreren, beven, bibberen, rilling (de ~ (m)), huivering (de ~ (f)), siddering (de ~ (f)), huiveren, griezelen, gruwen, verstijven, ijzen, door afgrijzen bevangen worden, gruwelen, sidderen, beving (de ~ (f)), gebeef (noun) |
| tremble |
| kloppen, trillen, lillen, schudden, beven, heen en weer bewegen, vibreren, schokken, laten schrikken, bibberen, sidderen |