| leave for |
| verlaten (adj. / adv.), verdwijnen, heengaan, wegtrekken, afreizen, wegreizen |
| travel |
| reizen, trekken, zwerven, rondreizen, verlaten (adj. / adv.), verdwijnen, heengaan, wegtrekken, afreizen, wegreizen, afleggen, meters maken |
| rub in |
| verlaten (adj. / adv.), verdwijnen, heengaan, wegtrekken, afreizen, wegreizen, uitwrijven, smeren, invetten, oliën, inoliën, insmeren, fouten benadrukken |
| grease |
| verlaten (adj. / adv.), verdwijnen, heengaan, wegtrekken, afreizen, wegreizen, vet (adj. / adv.), olie (de ~), smeer (de ~ (m)), reuzel (de ~ (m)), smeren, invetten, oliën, inoliën, doorsmeren |
| smear |
| verlaten (adj. / adv.), verdwijnen, heengaan, wegtrekken, afreizen, wegreizen, smeren, invetten, oliën, inoliën, bevuilen, besmeren, bekladden, bevlekken, bemorsen, uitstrijkje (het ~) |
| set out |
| stoppen, afzetten, stilzetten, tot stilstand brengen, verlaten (adj. / adv.), verdwijnen, heengaan, wegtrekken, afreizen, wegreizen, uitmaken, uitzetten, uitschakelen, uitdoen, klaarzetten, alvast neerzetten |
| leave |
| gaan, vertrekken, weggaan, opstappen, heengaan, opbreken, vakantie (de ~ (f)), verlof (het ~), snipperdag (de ~ (m)), verloftijd (de ~ (m)), verlofjaar (noun), bestellen, brengen, bezorgen, afgeven, overhandigen, afleveren, thuisbezorgen, verlaten (adj. / adv.), verwijderen, smeren, wegtrekken, afreizen, wegreizen, verdwijnen, in de steek laten, overlaten, afsteken, afvaren, wegvaren, zich verwijderen |
| depart |
| gaan, vertrekken, weggaan, opstappen, heengaan, opbreken, verwijderen, smeren, wegtrekken, afreizen, wegreizen, verlaten (adj. / adv.), verdwijnen, afsteken, afvaren, wegvaren |
| take off |
| beginnen, starten, aanvangen, van start gaan, inzetten, intreden, op gang komen, aanbreken, een begin nemen, vertrekken, verwijderen, weggaan, smeren, opstappen, wegtrekken, afreizen, wegreizen, opstijgen, omhoogkomen, opvliegen, verlaten (adj. / adv.), verdwijnen, heengaan, de hoogte ingaan, in de lucht omhoogstijgen, afhandelen, afdoen, beslechten, twist uit de weg ruimen, afsteken, afvaren, wegvaren, kopiëren, nabootsen, namaken, uittrekken, uitdoen, uitkleden, ontkleden |
| go sailing |
| varen, zeilen, gaan varen |
| navigate |
| varen, navigeren, bevaren, vliegtuig besturen, kruisen, laveren, tegen de wind in varen |
| set sail |
| uitzeilen, uitvaren, afvaren, van wal gaan |
| steer for |
| stevenen, aansturen op, afvaren op, aanhouden op, afstevenen op, afstomen op |
| make for |
| aanpassen, geschikt maken, bedoelen, beogen, ten doel hebben, richting (de ~ (f)), aansturing (de ~ (f)), aflopen, vervoegen, zich begeven naar, koers zetten naar, stevenen, aansturen op, afvaren op, aanhouden op, afstevenen op, afstomen op |
| head for |
| richting (de ~ (f)), aansturing (de ~ (f)), aansturen, aflopen, vervoegen, zich begeven naar, koers zetten naar, stevenen, aansturen op, afvaren op, aanhouden op, afstevenen op, afstomen op |