| upset |
| boos, kwaad, woedend, dol, woest, razend, nijdig, hels, furieus, laaiend, tierend, tegenwerken (verb), dwarsbomen (verb), dwarsliggen (verb), verstoren (verb), vertoornen (verb), schrik (de ~ (m)), verbijstering (de ~ (f)), getroffen, perplex, onthutst, ontsteld, paf, verontwaardigd, verstoord, gekwetst, gebelgd, misnoegd, verschrikt, bederven (verb), verzieken (verb), ruïneren (verb), nekken (verb), in de war sturen (verb), geschokt, ontzet, van streek, ontredderd, omstoten (verb), omduwen (verb), omverstoten (verb), ontstemmen (verb), overstuur |
| cross |
| boos, kwaad, giftig, nijdig, gebelgd, verbolgen, vertoornd, overschrijden (verb), tegenwerken (verb), dwarsbomen (verb), dwarsliggen (verb), tegenvallen (verb), teleurstellen (verb), afvallen (verb), benadelen (verb), frustreren (verb), ontgoochelen (verb), duperen (verb), laten zakken (verb), kruis (het ~), kruisvorm (noun), gebaar na gebed (noun), narrig, kruisje (het ~), crucifix (het ~), kruisbeeld (het ~) |
| obstruction |
| tegenwerking (de ~ (f)), sabotage (de ~ (f)), belemmering (de ~ (f)), verhindering (de ~ (f)), obstructie (de ~ (f)), bemoeilijking (de ~ (f)), vastlopen (verb), stremming (de ~ (f)), verstopping in het lichaam (noun) |
| hindrance |
| moeite (de ~ (f)), last (de ~ (m)), overlast (de ~ (m)), hinder (de ~ (m)), soesa (de ~ (m)), hindernis (de ~ (f)), hinderpaal (de ~ (m)), tegenwerking (de ~ (f)), sabotage (de ~ (f)), belemmering (de ~ (f)), obstakel (het ~), klip (de ~), beletsel (het ~), verhindering (de ~ (f)), obstructie (de ~ (f)), bemoeilijking (de ~ (f)), verhinderd zijn (noun), struikelblok (het ~) |
| resistance |
| bestrijding (de ~ (f)), weerstand (de ~ (m)), opstand (de ~ (m)), verzet (adj. / adv.), tegenstand (de ~ (m)), rebellie (de ~ (f)), bezwaar (het ~), bedenking (de ~ (f)), verzetsbeweging (de ~ (f)), ondergronds verzet (noun), tegenwerking (de ~ (f)), sabotage (de ~ (f)), verdediging (de ~ (f)) |
| Resistance |
| ondergrondse (de ~), illegaliteit (de ~ (f)), verzet in oorlogstijd (noun) |
| opposition |
| bezwaar (het ~), bedenking (de ~ (f)), tegenwerking (de ~ (f)), sabotage (de ~ (f)), tegenpartij (de ~ (f)), oppositie (de ~ (f)) |
| damage intentionally |
| saboteren |
| stem |
| tegenwerken, dwarsbomen, dwarsliggen, tegenhouden, ophouden, remmen, stopzetten, halt houden, tot staan brengen, steel (de ~ (m)), handvat in de vorm van stok (noun), stam (de ~ (m)), etymon (noun), stamvorm (de ~ (m)), boeg (de ~ (m)), steven (de ~ (m)), voorsteven (de ~ (m)), antenne (de ~), voelspriet (de ~ (m)), voelhoren (de ~ (m)), stamwoord (het ~) |
| oppose |
| tegenwerken, dwarsbomen, dwarsliggen, tegengaan, tegenstreven, weerstreven |
| thwart |
| storen, hinderen, onmogelijk maken, tegenwerken, dwarsbomen, dwarsliggen, tegengaan, tegenstreven, weerstreven, verhinderen, verijdelen, bemoeilijken, moeilijker maken, zwaarder maken, roeibank (noun) |
| hinder |
| storen, hinderen, onmogelijk maken, tegenwerken, dwarsbomen, dwarsliggen, afbreken, onderbreken, doen ophouden, verhinderen, obstructie plegen, moeilijk maken, bemoeilijken, moeilijker maken, zwaarder maken, verijdelen, doen mislukken, een stokje steken voor |
| prevent |
| tegenwerken, dwarsbomen, dwarsliggen, weerhouden, beletten, afhouden, ervanaf houden, verhinderen, belemmeren, weren |
| stop |
| inhouden, stoppen, stilstaan, blijven staan, stilhouden, opgeven, ophouden, staken, uitscheiden, ermee uitscheiden, afzetten, stilzetten, tot stilstand brengen, remmen, afremmen, halt houden, halthouden, besluiten, beslissen, vertraging (de ~ (f)), oponthoud (het ~), tegenwerken, dwarsbomen, dwarsliggen, weerhouden, beletten, afhouden, ervanaf houden, tegenhouden, stopzetten, tot staan brengen, vertragen, temporiseren, vastlopen, haperen, stokken, blijven steken, stillen, stelpen, halte (de ~ (m)), stopplaats (de ~), halteplaats (de ~), dichten, gaten stoppen |
| hamper |
| storen, hinderen, onmogelijk maken, afbreken, onderbreken, doen ophouden, verhinderen, obstructie plegen, mand (de ~), korf (de ~ (m)), verijdelen, doen mislukken, een stokje steken voor |
| frustrate |
| tegenvallen, teleurstellen, afvallen, benadelen, frustreren, ontgoochelen, duperen, laten zakken, verijdelen, doen mislukken, een stokje steken voor |
| counteract |
| tegengaan, tegenwerken, tegenstreven, weerstreven, tegenvallen, teleurstellen, afvallen, benadelen, frustreren, ontgoochelen, duperen, laten zakken, verijdelen, doen mislukken, een stokje steken voor |
| cause failure |
| verijdelen, doen mislukken, een stokje steken voor |
| obstruct |
| weerhouden, beletten, afhouden, ervanaf houden, verhinderen, belemmeren, afbreken, onderbreken, doen ophouden, obstructie plegen, blokkeren, stremmen, versperren, barricaderen, verijdelen, doen mislukken, een stokje steken voor |