| set aside |
| bespreken (verb), vastleggen (verb), reserveren (verb), reis boeken (verb), behouden (verb), achterhouden (verb), terughouden (verb), opzijleggen (verb), voorbehouden (verb), gereserveerd, opzijgezet, opzijzetten (verb) |
| substitute |
| vervangen (verb), vernieuwen (verb), verwisselen (verb), aflossen (verb), remplaceren (verb), invallen (verb), invallen voor iemand (verb), vertegenwoordiger (de ~ (m)), plaatsvervanger (de ~ (m)), representant (de ~ (m)), vervanging (de ~ (f)), herstelling (de ~ (f)), surrogaat (het ~), verwisseling (de ~ (f)), substitutie (de ~ (f)), omwisseling (de ~ (f)), verruiling (de ~ (f)), invaller (de ~ (m)), wisselspeler (de ~ (m)), plaatsvervangend, waarnemend, loco-, noodhulp (de ~), hulpkracht (de ~), substituut (de ~ (m)), remplaçant (de ~ (m)), vervangend middel (noun), invalster (de ~ (f)), reservist (de ~ (m)), vervangingsmiddel (het ~) |
| spare part |
| reserve (de ~), reserveonderdeel (het ~), vervangstuk (noun), reservedeel (noun) |
| reservist |
| reservist (de ~ (m)) |
| restraint |
| controle (de ~), beheersing (de ~ (f)), zelfbeheersing (de ~ (f)), verlegenheid (de ~ (f)), schroom (de ~ (m)), geslotenheid (de ~ (f)), schuwheid (de ~ (f)), bedeesdheid (de ~ (f)), timiditeit (de ~ (f)), terughoudendheid (de ~ (f)), gereserveerdheid (de ~ (f)), bedwang (het ~), opsluiting (de ~ (f)), gevangen zetten (verb), vrijheidsbeperking (de ~ (f)), beperkte mate van vrijheid (noun) |
| timidity |
| schroom (de ~ (m)), beschroomdheid (de ~ (f)), verlegenheid (de ~ (f)), geslotenheid (de ~ (f)), schuwheid (de ~ (f)), bedeesdheid (de ~ (f)), timiditeit (de ~ (f)), schroomvalligheid (de ~ (f)), bleuheid (noun), eenkennigheid (de ~ (f)), schuchterheid (de ~ (f)) |
| timorousness |
| verlegenheid (de ~ (f)), schroom (de ~ (m)), geslotenheid (de ~ (f)), schuwheid (de ~ (f)), bedeesdheid (de ~ (f)), timiditeit (de ~ (f)), schroomvalligheid (de ~ (f)), bleuheid (noun), schuchterheid (de ~ (f)) |
| make reservations |
| bespreken, vastleggen, reserveren, reis boeken |
| allocate |
| bespreken, vastleggen, reserveren, reis boeken, plaatsen, plaats toekennen, voorbehouden, toewijzen, gunnen, toebedelen, iets toekennen |
| put away |
| bespreken, vastleggen, reserveren, reis boeken, behouden, achterhouden, terughouden, opzijleggen, voorbehouden, bewaren, wegzetten, opzij leggen, opruimen, bergen, opbergen, wegbergen, wegsluiten, stallen, wegstoppen, wegsteken, nuttigen, verschalken, van zich afzetten |
| spare |
| sparen, in acht nemen, verschonen, ontzien, op bankrekening zetten, besparen, matigen, geld besparen, minder gebruiken, reserve (de ~) |
| require |
| vragen, aanvragen, verzoeken, uitnodigen, aanzoeken, eisen, verlangen, vereisen, vergen, nodig hebben, behoeven, benodigen |