| deliberate |
| overleggen (verb), overwegen (verb), beraadslagen (verb), bewust, welbewust, expres, opzettelijk, weloverwogen, voorbedacht, moedwillig, met opzet, intentioneel, weldoordacht |
| learn |
| vinden, ontdekken, tegenkomen, aantreffen, horen, vernemen, te horen krijgen, leren, opsteken, kennis opdoen, oppikken, meekrijgen, meepikken, verwerven, aanleren, eigen maken, studeren, blokken, instuderen, onderwijzen, bijbrengen, gewend raken, aanwennen, eigenmaken, inlichten, voorlichten, onderrichten, leerstof erin stampen, vossen, iets leren |
| come across |
| vinden, tegenkomen, aantreffen |
| discover |
| vinden, ontdekken, tegenkomen, aantreffen, opsporen, ontwaren, achterhalen, te weten komen |
| find |
| vinden, tegenkomen, aantreffen, onderscheiden (adj. / adv.), gewaarworden, ontwaren, te zien krijgen, uit elkaar houden, uiteenhouden, uitvinding (de ~ (f)), ontdekking (de ~ (f)), vondst (de ~ (f)), uitdenking (noun), aangetroffen worden |
| gather |
| verzamelen, verenigen, plukken, oogsten, vergaren, inzamelen, bijeenzoeken, inwinnen, trachten te krijgen, samenkomen, bijeenkomen, oppakken, oppikken, oprapen, opsnappen, bundelen, binnen halen, samenpakken, samenrapen, bijeen scharrelen, bijeenrapen, bijeen krijgen, harken, bij elkaar vegen |
| come together |
| samenkomen, bijeenkomen, bijeen komen |
| see each other |
| afspreken, treffen, samenkomen, elkaar ontmoeten, elkaar zien, verzamelen, bij elkaar komen |
| get together |
| afspreken, treffen, samenkomen, elkaar ontmoeten, elkaar zien, bijeen krijgen, bijeenkrijgen |
| meet each other |
| elkaar ontmoeten |
| have a meeting |
| vergaderen, in bespreking zijn, in vergadering bijeenzijn |
| to meet in a conference |
| in vergadering bijeenzijn |
| get to know |
| ontmoeten, kennis maken met, realiseren, beseffen, inzien, onderkennen, doorzien (adj. / adv.) |
| become acquainted with |
| ontmoeten, kennis maken met |
| get acquainted with |
| kennismaken |
| reflect |
| overleggen, overwegen, beraadslagen, nadenken, piekeren, peinzen, prakkiseren, bezinnen, weerspiegelen, reflecteren, terugkaatsen, stuiten, weerkaatsen, echoën, terugstoten, weerschijnen, afspiegelen |
| think it over |
| overleggen, overwegen, beraadslagen, beschouwen, afwegen, overdenken |
| consider |
| overleggen, overwegen, beraadslagen, bekijken, kunnen doodvallen, beschouwen, afwegen, overdenken, aanraden, aanbevelen, voordragen, nomineren, iemand recommanderen, nadenken, piekeren, peinzen, prakkiseren, sparen, in acht nemen, verschonen, ontzien, in overweging nemen, considereren, beraden, consideren, iets overwegen, bezinnen, op het oog hebben, wikken en wegen, houden voor, veronderstellen te zijn |
| have a conference |
| overleggen, overwegen, beraadslagen, vergaderen, in bespreking zijn, confereren, een conferentie houden |
| receive |
| krijgen, ontvangen, in ontvangst nemen, opstrijken, aannemen, accepteren, aanvaarden, leren, opsteken, kennis opdoen, oppikken, meekrijgen, meepikken, opvangen, ondervangen, onderscheppen, afvangen, onderweg opvangen, aanpakken, aanvatten, oplopen, onverlangd krijgen |
| answer |
| antwoord (het ~), oplossing (de ~ (f)), uitkomst (de ~ (f)), reactie (de ~ (f)), retort (de ~), beantwoording (de ~ (f)), repliek (de ~ (f)), weerwoord (het ~), bescheid (het ~), antwoorden, beantwoorden, responderen, reageren, rekensom (de ~), rekenopgave (noun) |
| gather together |
| verzamelen, sparen, vergaren, oppotten, opeenhopen, bijeenzamelen |
| assemble |
| afspreken, treffen, samenkomen, elkaar ontmoeten, elkaar zien, plaatsen, aanbrengen, aanleggen, installeren, monteren en aansluiten, verzamelen, verenigen, assembleren, in elkaar zetten, bijeenkomen, concentreren, samenbrengen, bijeenbrengen, bij elkaar brengen, samenscholen |
| oblige |
| verplichten, dwingen, forceren, dwingen te doen, noodzaken tot, gerieven |