| holdup (the ~) |
| verlet (het ~) |
| delay |
| vertraging (de ~ (f)), oponthoud (het ~), zeuren, aarzelen, zeiken, treuzelen, talmen, dralen, zaniken, drentelen, druilen, teuten, hannesen, dubben, weifelen, vertragen, ophouden, temporiseren, uitstel (het ~), respijt (het ~), slippen, uitglijden, uitschuiven, uitschieten, wegschieten, onderuitgaan, uitglibberen, onderbreking (de ~ (f)), verlet (het ~) |