| gear |
| kleding (de ~ (f)), kleren (de ~), tenue (de ~), plunje (de ~), uitrusting (de ~ (f)), benodigde (noun), versiering (de ~ (f)), outfit (de ~ (m)), outillage (de ~ (f)), uitzet (de ~ (m)), monstering (de ~ (f)), uitmonstering (de ~ (f)), harnas (het ~), tuig (het ~), gareel (het ~), toom (de ~ (m)), versnelling (de ~ (f)), schakelinrichting (noun), tandwiel (het ~), tandrad (het ~) |
| tackling |
| harnas (het ~), tuig (het ~), gareel (het ~), toom (de ~ (m)), takelwerk (het ~), onderuithalen (verb) |
| collar |
| afnemen, stelen, wegnemen, plunderen, ontnemen, pikken, toeëigenen, vervreemden, kapen, verduisteren, jatten, roven, inpikken, ontfutselen, ontvreemden, wegkapen, benemen, gappen, snaaien, verdonkeren, wegpikken, verdonkeremanen, wegpakken, achteroverdrukken, leegstelen, harnas (het ~), tuig (het ~), gareel (het ~), toom (de ~ (m)), halsband (de ~ (m)), leiband (de ~ (m)), boord (de ~ (m)), kraag (de ~ (m)), halskraag (noun), boordje (noun), kraagje (noun) |
| strain |
| moeite (de ~ (f)), last (de ~ (m)), inspanning (de ~ (m)), soesa (de ~ (m)), strakheid (de ~ (f)), gespannenheid (de ~ (f)), poging (de ~ (f)), krachtsinspanning (de ~ (f)), fysieke inspanning (noun), strekken, bloeddruk (de ~ (m)), tensie (de ~ (f)), concentratie (de ~ (f)), ingespannenheid (noun) |