| bureaucracy |
| bestuursapparaat (het ~), regeringsapparaat (het ~), bureaucratie (de ~ (f)), burocratisme (noun) |
| authorities |
| overheid (de ~ (f)), autoriteiten (de ~), openbaar gezag (noun), rijksbestuur (het ~), gezaghebbers (de ~), hogerhand (de ~), gezaghebbenden (noun) |
| public authorities |
| overheid (de ~ (f)), autoriteiten (de ~), openbaar gezag (noun), rijksbestuur (het ~) |
| administration |
| toepassing (de ~ (f)), gebruik (het ~), aanwenden (verb), aanwending (de ~ (f)), beheer (het ~), controle (de ~), zorg (de ~), toezicht (het ~), bescherming (de ~ (f)), bewaking (de ~ (f)), zeggenschap (de ~ (f)), hoede (adj. / adv.), regering (de ~ (f)), gezag (het ~), kabinet (het ~), gouvernement (het ~), administratie (de ~ (f)), toediening (de ~ (f)) |
| cabinet |
| kast (de ~), kastje (noun), kabinetje (noun), regering (de ~ (f)), gezag (het ~), gouvernement (het ~), kabinetkast (noun), ministerraad (de ~ (m)), ministerraden (de ~) |
| colonial administration |
| regering (de ~ (f)), gezag (het ~), kabinet (het ~), gouvernement (het ~) |
| regime |
| regime (het ~), bewind (het ~), staatsbestel (het ~), regeringsstelsel (het ~), dieet (het ~), lijnen (verb) |
| rule of life |
| basis (adj. / adv.), uitgangspunt (het ~), principe (het ~), grondslag (de ~ (m)), beginsel (het ~), fundament (het ~), hoeksteen (de ~ (m)), grondbeginsel (het ~), grondbegrip (het ~), grondstelling (de ~ (f)), grondregel (de ~ (m)), basisbeginsel (het ~), regime (het ~), bewind (het ~), staatsbestel (het ~), regeringsstelsel (het ~), stelregel (de ~ (m)), ideologie (de ~ (f)), leefregel (de ~ (m)) |
| leadership |
| regime (het ~), bewind (het ~), staatsbestel (het ~), regeringsstelsel (het ~) |
| government of the state |
| bewind (het ~), staatsbestuur (het ~) |
| rule |
| macht (de ~), gezag (het ~), richtlijn (de ~), voorschrift (het ~), richtsnoer (het ~), gebieden, opdragen, bevelen, commanderen, gelasten, verordenen, decreteren, verordonneren, heersen, overheersen, regeren, macht uitoefenen, gezaghebben, verspreiden van ziekte, heersen van griep, regime (het ~), bewind (het ~), staatsbestel (het ~), regeringsstelsel (het ~), reglement (het ~), dienstvoorschrift (het ~), stelregel (de ~ (m)), regentschap (het ~), overheersing (de ~ (f)), wetmatigheid (de ~ (f)) |
| reign |
| geslacht (het ~), dynastie (de ~ (f)), heersen, overheersen, regeren, macht uitoefenen, gezaghebben, verspreiden van ziekte, heersen van griep, regime (het ~), bewind (het ~), staatsbestel (het ~), regeringsstelsel (het ~), regentschap (het ~) |