| broad |
| uitgebreid, uitvoerig, langdradig, omslachtig, omstandig, breedsprakig, breedvoerig, wijdlopig, breedgeschouderd, uitgewerkt, in details, globaal, in grote lijnen, brede |
| tedious |
| uitgebreid, uitvoerig, langdradig, omslachtig, omstandig, breedsprakig, breedvoerig, wijdlopig, vervelend, saai, eentonig, suf, monotoon, afgezaagd, slaapverwekkend, taai, zonder afleiding, koppig, dwars, weerbarstig, weerspannig, bokkig, stijfhoofdig, etteren (verb), vervelend doen (verb) |
| elaborate |
| uitgebreid, uitvoerig, langdradig, omslachtig, omstandig, breedsprakig, breedvoerig, wijdlopig, uitwerken (verb), preciseren (verb), ruimschoots, overvloedig, royaal, rijkelijk, scheutig, uitgewerkt, in details, omvangrijk, volumineus, lijvig, verregaand, doorwrocht |
| extensive |
| uitgebreid, uitvoerig, langdradig, omslachtig, omstandig, breedsprakig, breedvoerig, wijdlopig, extensief, ruimschoots, overvloedig, royaal, rijkelijk, scheutig, uitgewerkt, in details, omvangrijk, volumineus, lijvig, verregaand, wijdverbreid, veelverbreid |
| lengthy |
| uitgebreid, uitvoerig, langdradig, omslachtig, omstandig, breedsprakig, breedvoerig, wijdlopig, ampel, vervelend, langdurig, langaanhoudend, eindeloos, ellenlang, ontzettend lang, waar geen eind aan komt |
| exhaustive |
| uitgebreid, uitvoerig, langdradig, omslachtig, omstandig, breedsprakig, breedvoerig, wijdlopig, precies, nauwkeurig, zorgvuldig, gedetailleerd, accuraat, nauwgezet, secuur, minutieus, uitgewerkt, in details, wezenlijk, fundamenteel, onderbouwd, gefundeerd |
| expansive |
| uitgebreid, uitvoerig, langdradig, omslachtig, omstandig, breedsprakig, breedvoerig, wijdlopig, uitgewerkt, in details |
| generally |
| algemeen, meestal, gewoonlijk, over het algemeen, doorgaans, normaliter, merendeels, gemeenlijk, globaal, generaal, over het geheel, overwegend, meestens, voor het grootste gedeelte |
| on the whole |
| algemeen, globaal, generaal, over het geheel |
| spread |
| verspreiden (verb), uitzenden (verb), verdeler, uitzaaien (verb), verbreiden (verb), rondstrooien (verb), verbreider (verb), uitdragen (verb), verkondigen (verb), een boodschap uitdragen (verb), uitspreiden (verb), klaar leggen (verb), banket (het ~), feestmaal (het ~), feestdiner (het ~), smulpartij (de ~ (f)), verwijden (verb), wijder maken (verb), uitwrijven (verb), gespreid, voortwoekeren (verb), zich verder verspreiden (verb) |
| widespread |
| uitgebreid, extensief, ruimschoots, overvloedig, royaal, rijkelijk, scheutig, uitgewerkt, in details, wijdverbreid, veelverbreid |
| prevailing |
| heerszuchtig, overheersend, bazig |
| commanding officer |
| generaal (adj. / adv.), veldheer (de ~ (m)), legeraanvoerder (de ~ (m)), kapitein (de ~ (m)), commandant (de ~ (m)), bevelhebber (de ~ (m)) |