| consort |
| partner (de ~ (m)), levenspartner (de ~ (m)), levensgezel (de ~ (m)), gemalin (de ~ (f)), wederhelft (de ~), konvooischip (het ~) |
| attendance |
| opkomst (de ~ (f)), aantal gekomen personen (noun), stoet (de ~ (m)), geleide (het ~), escorte (het ~), volgstoet (noun), opwachting (de ~ (f)) |
| guidance |
| stoet (de ~ (m)), geleide (het ~), escorte (het ~), volgstoet (noun) |
| accompaniment |
| begeleiding (de ~ (f)), vergezellen (verb), escorte (het ~) |
| conduct |
| volgen, begeleiden, vergezellen, meegaan, meelopen, chaperonneren, escorteren, manier (de ~), optreden, gedrag (het ~), handelwijze (de ~), gedragswijze (de ~), dirigeren, orkest dirigeren |
| accompany |
| volgen, begeleiden, vergezellen, meegaan, meelopen, chaperonneren, escorteren, wegbrengen, afvoeren, meedragen, wegslepen, wegvoeren, wegdragen, wegsjouwen |
| chaperon |
| volgen, begeleiden, vergezellen, meegaan, meelopen, chaperonneren, escorteren |
| walk along |
| volgen, begeleiden, vergezellen, meegaan, meelopen, chaperonneren, escorteren, wegbrengen |
| guard |
| begeleiding (de ~ (f)), vergezellen, escorte (het ~), behouden, beschermen, behoeden, in bescherming nemen, opletten, hoeden voor, beschutten, bescherming bieden, verdedigen, bewaken, toezien op, wakker (adj. / adv.), die wakker is (noun), wacht (de ~ (m)), portier (de ~ (m)), bewaker (de ~ (m)), suppoost (de ~ (m)), deurwachter (noun), cipier (de ~ (m)), gevangenbewaarder (de ~ (m)), schildwacht (de ~ (m)), beveiligen, van alarm voorzien, vrijwaren, op wacht staan (noun), persoon die op wacht staat (noun), garde (de ~), waken over, wakker persoon (noun), baanschuiver (de ~ (m)) |