| cut |
| korting (de ~ (f)), reductie (de ~ (f)), prijsverlaging (de ~ (f)), prijsvermindering (noun), steken (verb), prikken (verb), steken geven (verb), aanvoeren (verb), opperen (verb), aankaarten (verb), opwerpen (verb), aansnijden (verb), ter sprake brengen (verb), entameren (verb), te berde brengen (verb), op tafel leggen (verb), afsnijden (verb), besparing (de ~ (f)), bezuiniging (de ~ (f)), kostenbesparing (de ~ (f)), verkorting (de ~ (f)), inkrimping (de ~ (f)), bekorting (de ~ (f)), besnoeiing (de ~ (f)), doorhakken (verb), kloven (verb), klieven (verb), doorklieven (verb), doormidden hakken (verb), doorhouwen (verb), in tweeën houwen (verb), keep (de ~ (m)), inkeping (de ~ (f)), kerf (de ~ (m)), inkerving (de ~ (f)), korten (verb), kort knippen (verb), kort maken (verb), kappen (verb), coifferen (verb), snee (de ~), snede (de ~), jaap (de ~ (m)), insnijding (de ~ (f)), snijwond (noun), ontering (de ~ (f)), snit (de ~), doorknippen (verb), kerven (verb), in hout schrijven (verb), gekuist, zedig gemaakt, snijwerk maken (verb), een knippend geluid maken (verb), snerpen (verb), gesneden, coupure (de ~), sneetje (het ~), snijwondje (noun), houtsnijden (verb) |
| dwindling |
| besparing (de ~ (f)), bezuiniging (de ~ (f)), kostenbesparing (de ~ (f)), verkorting (de ~ (f)), inkrimping (de ~ (f)), bekorting (de ~ (f)), besnoeiing (de ~ (f)), krimpend, slinkend |
| return |
| terug, achteruit, achterwaarts, naar achter, naar achteren, rugwaarts, product (het ~), opbrengst (de ~ (f)), rendement (het ~), uitkomst (de ~ (f)), oogst (de ~ (m)), voortbrengsel (het ~), winst (de ~ (f)), baat (de ~), profijt (het ~), gewin (het ~), rentabiliteit (de ~ (f)), terugkomen (verb), terugkeren (verb), retourneren (verb), omkeren (verb), terugreis (de ~), terugkeer (de ~ (m)), terugbezorgen (verb), teruggaan (verb), wederkeren (verb), weerkeren (verb), terugbrengen (verb), teruggeven (verb), terugzenden (verb), weergave (de ~), teruggave (de ~), terugsturen (verb), dateren (verb), teruggrijpen (verb), thuiskomst (de ~ (f)), terugwerpen (verb), teruggooien (verb), terugkomst (de ~ (f)), tegenprestatie (de ~ (f)), wederdienst (de ~ (m)), contraprestatie (de ~ (f)), tegendienst (noun), return (de ~ (m)), terugwedstrijd (de ~ (m)) |
| market |
| beurs (de ~), aandelenbeurs (de ~), effectenbeurs (de ~), markt (de ~), handel (de ~ (m)), goederenhandel (de ~ (m)), besparing (de ~ (f)), bezuiniging (de ~ (f)), kostenbesparing (de ~ (f)), verkorting (de ~ (f)), inkrimping (de ~ (f)), bekorting (de ~ (f)), besnoeiing (de ~ (f)), afzetmarkt (de ~), afzetgebied (het ~) |
| recess |
| pauze (de ~), onderbreking (de ~ (f)), tussenpoos (de ~), rustpauze (de ~), verpozing (de ~ (f)), opening (de ~ (f)), kloof (de ~), uitsparing (de ~ (f)), spleet (de ~), tussenruimte (de ~ (f)), besparing (de ~ (f)), bezuiniging (de ~ (f)), kostenbesparing (de ~ (f)), verkorting (de ~ (f)), inkrimping (de ~ (f)), bekorting (de ~ (f)), besnoeiing (de ~ (f)), reces (het ~) |
| reduction |
| korting (de ~ (f)), reductie (de ~ (f)), prijsvermindering (noun), besparing (de ~ (f)), bezuiniging (de ~ (f)), kostenbesparing (de ~ (f)), verkorting (de ~ (f)), inkrimping (de ~ (f)), bekorting (de ~ (f)), besnoeiing (de ~ (f)), baisse (de ~ (f)), prijsverlaging (de ~ (f)), prijsdaling (de ~ (f)), deflatie (de ~ (f)), rabat (het ~), vereenvoudiging (de ~ (f)), herleiding (de ~ (f)), simplificatie (de ~ (f)), reduceren (verb), kleiner maken (verb), vernedering (de ~ (f)), verkleining (de ~ (f)), inname (de ~), inkorting (de ~ (f)) |
| saving |
| bewaren (verb), bergen (verb), gat (het ~), opening (de ~ (f)), scheur (de ~), split (het ~), kloof (de ~), uitsparing (de ~ (f)), reet (de ~), barst (de ~ (m)), groef (de ~), inkeping (de ~ (f)), besparing (de ~ (f)), bezuiniging (de ~ (f)), kostenbesparing (de ~ (f)), verkorting (de ~ (f)), inkrimping (de ~ (f)), bekorting (de ~ (f)), besnoeiing (de ~ (f)) |
| benefit |
| waarde (de ~ (f)), nut (het ~), product (het ~), opbrengst (de ~ (f)), rendement (het ~), uitkomst (de ~ (f)), oogst (de ~ (m)), voortbrengsel (het ~), winst (de ~ (f)), baat (de ~), profijt (het ~), gewin (het ~), opluchting (de ~ (f)), geruststelling (de ~ (f)), verademing (de ~ (f)), sociale bijstand (noun), voordeeltje (het ~), benefiet (het ~), benefietvoorstelling (de ~ (f)) |
| advantage |
| winst (de ~ (f)), baat (de ~), profijt (het ~), gewin (het ~), bevoorrechting (de ~ (f)), pre (de ~ (m)) |
| winning |
| winst (de ~ (f)), baat (de ~), profijt (het ~), gewin (het ~), winning (de ~ (f)), inpoldering (de ~ (f)) |
| victory |
| winst (de ~ (f)), baat (de ~), profijt (het ~), gewin (het ~), overwinning (de ~ (f)), zege (de ~), triomf (de ~ (m)) |
| earnings |
| winst (de ~ (f)), baat (de ~), profijt (het ~), gewin (het ~) |
| trade and industry |
| economie (de ~ (f)), volkshuishouding (de ~ (f)), staathuishoudkunde (de ~ (f)), bedrijfsleven (het ~) |
| political economy |
| economie (de ~ (f)), volkshuishouding (de ~ (f)), staathuishoudkunde (de ~ (f)) |
| decrease |
| afnemen, verminderen, vervallen (adj. / adv.), dalen, teruggaan, minder worden, declineren, tanen, beperken, verlagen, krimpen, verkorten, reduceren, inperken, inkrimpen, slinken, verkleinen, afname (de ~), daling (de ~ (f)), terugloop (de ~ (m)), vermindering (de ~ (f)), teruggang (de ~ (m)), kleiner maken, besparing (de ~ (f)), bezuiniging (de ~ (f)), kostenbesparing (de ~ (f)), verkorting (de ~ (f)), inkrimping (de ~ (f)), bekorting (de ~ (f)), besnoeiing (de ~ (f)), reductie (de ~ (f)), afzwakking (de ~ (f)), afnames (noun), vervallingen (noun) |
| take |
| gebruiken, toepassen, benutten, aanwenden, aangrijpen, hanteren, gebruik maken van, bezigen, utiliseren, nemen, pakken, aannemen, accepteren, aanvaarden, cadeau aannemen, meenemen, ophalen, afnemen, afhalen, wegnemen, weghalen, stelen, plunderen, ontnemen, pikken, toeëigenen, vervreemden, kapen, verduisteren, jatten, roven, inpikken, ontfutselen, ontvreemden, wegkapen, benemen, gappen, snaaien, verdonkeren, wegpikken, verdonkeremanen, wegpakken, achteroverdrukken, leegstelen, winst (de ~ (f)), baat (de ~), profijt (het ~), gewin (het ~), aanpakken, ingrijpen, zich bedienen, toetasten, toegrijpen, verstuwen, verstouwen, innemen, medicijn innemen, naartoe brengen |
| yield |
| product (het ~), opbrengst (de ~ (f)), rendement (het ~), uitkomst (de ~ (f)), oogst (de ~ (m)), voortbrengsel (het ~), winst (de ~ (f)), baat (de ~), profijt (het ~), gewin (het ~), instemmen, akkoord gaan, overgeven, afstaan, opbrengst van een gewas (noun), rentabiliteit (de ~ (f)) |
| gain |
| leren, opsteken, kennis opdoen, oppikken, meekrijgen, meepikken, verkrijgen, behalen, winnen, verwerven, aankomen, dikker worden, zwaarder worden, product (het ~), opbrengst (de ~ (f)), rendement (het ~), uitkomst (de ~ (f)), oogst (de ~ (m)), voortbrengsel (het ~), winst (de ~ (f)), baat (de ~), profijt (het ~), gewin (het ~), aankoop (de ~ (m)), boodschap (de ~ (f)), acquisitie (de ~ (f)), aanschaf (de ~ (m)), aanwinst (de ~ (f)), aangekochte (noun), inhalen, inlopen, gewinnen |