| set |
| plaatsen (verb), zetten (verb), leggen (verb), neerleggen (verb), neerzetten (verb), deponeren (verb), stationeren (verb), situeren (verb), zich afspelen (verb), groep (de ~), hoop (de ~ (m)), troep (de ~ (m)), bende (de ~), accumulatie (de ~ (f)), samenscholing (de ~ (f)), wedstrijd (de ~ (m)), partij (de ~ (f)), pot (de ~ (m)), concours (de ~ (m)), bepaalde hoeveelheid (noun), ondergaan (verb), zinken, onder water gaan (verb), strak, star, verstard, stel (het ~), span (de ~), koppel (de ~), groep van twee of meer (noun), strakgespannen, initiëren (verb), op gang brengen (verb), set (de ~ (m)), manche (de ~), onderonsje (het ~), kliek (de ~), stremmen (verb), stijf worden (verb), inklinken (verb), synchroniseren (verb), gelijkzetten (verb) |
| game |
| wedstrijd (de ~ (m)), partij (de ~ (f)), pot (de ~ (m)), concours (de ~ (m)), spel (het ~), beurt (de ~), spelletje (het ~), rondje (het ~), flink (adj. / adv.), potje (het ~), partijtje (het ~), wedstrijdje (noun) |
| match |
| overeenkomen (verb), overeenkomen met (verb), stroken (verb), overeenstemmen met (verb), stroken met (verb), kloppen met (verb), passen (verb), bijpassen (verb), wedstrijd (de ~ (m)), partij (de ~ (f)), pot (de ~ (m)), concours (de ~ (m)), congruent zijn (verb), gelijke (de ~), weerga (adj. / adv.), evenaren (verb), match (de ~), lucifer (de ~ (m)), luciferhoutje (het ~) |
| contest |
| wedstrijd (de ~ (m)), partij (de ~ (f)), pot (de ~ (m)), concours (de ~ (m)), bestrijden (verb), betwisten (verb), aanvechten (verb), bestrijding (de ~ (f)), bevechten (verb), bekampen (verb), prijsvraag (de ~) |
| play |
| spelen (verb), toneelspelen (verb), doen alsof (verb), zich aanstellen (verb), stuk (adj. / adv.), toneelstuk (het ~), drama (het ~), schouwspel (het ~), wedstrijd (de ~ (m)), partij (de ~ (f)), pot (de ~ (m)), concours (de ~ (m)), marge (de ~), speling (de ~ (f)), speelruimte (de ~ (f)), potje (het ~), partijtje (het ~), wedstrijdje (noun), gespeel (de ~), kinderspel (het ~), stoeien (verb), dollen (verb), ravotten (verb), zich uitleven (verb), wild spelen (verb), wild rennen (verb), bespelen (verb) |
| championship |
| kampioenschap (het ~) |
| rivalry |
| concurrentie (de ~ (f)), rivaliteit (de ~ (f)), wedijver (de ~ (m)) |