| fast |
| snel, vlot, vlug, rap, onthouden (verb), vasten (verb), plotseling, onverwacht, opeens, ineens, abrupt, onverwachts, onverhoeds, plotsklaps, eensklaps, vluchtig, haastig, kortstondig, terloops, abstineren (verb) |
| succinct |
| kort, bondig, minimaal, summier, raak, kernachtig, zeer klein, minuscuul, kort en bondig |
| concise |
| kort, bondig, minimaal, summier, raak, kernachtig |
| terse |
| kort, bondig, summier, raak, kernachtig, zeer klein, minuscuul |
| condensed |
| kort, bondig, verkort, ingekort |
| briefly worded |
| kort, bondig, samengevat |
| current |
| huidig, tegenwoordig, momenteel, van vandaag, gewoon, gebruikelijk, courant, gangbaar, eindig, vergankelijk, voorbijgaand, actueel, modern, bijdetijds, stroom (de ~ (m)), energie (de ~ (f)), electrische stroom (noun), elektriciteit (de ~ (f)), op dit ogenblik, drift (de ~), driftstroom (noun), actuele, zeestroming (de ~ (f)), thermiek (de ~ (f)), momentele |
| casual |
| voorlopig, vrijblijvend, informeel, eindig, vergankelijk, voorbijgaand, speels, luchtig, losjes, luchthartig, terloops, in het voorbijgaan |
| passing |
| vervallen, verstrijken (verb), eindig, vergankelijk, voorbijgaand, losjes, terloops, in het voorbijgaan |
| close |
| gelijk, vlak, glad, strak, plat, egaal, effen, geslepen, vlakuit, stoppen (verb), dichten (verb), dichtmaken (verb), dichtstoppen (verb), afsluiten (verb), toedoen (verb), dichtdoen (verb), toemaken (verb), eindig, vergankelijk, voorbijgaand, toetrekken (verb), ternauwernood, rakelings, benauwd, muf, drukkend, bedompt, gehecht, verknocht, dichtgaan (verb), toevallen (verb), dichtvallen (verb), zich sluiten (verb), toedraaien (verb) |
| superficial |
| eindig, vergankelijk, voorbijgaand, oppervlakkig, zonder diepgang, vluchtelings |
| empty |
| eindig, vergankelijk, voorbijgaand, opruimen (verb), schoonmaken (verb), reinigen (verb), uitmesten (verb), uitruimen (verb), leeg, hol, nietszeggend, inhoudsloos, ijdel, ongevuld, ledig, onbezet, zonder inhoud, uithalen (verb), leegmaken (verb), ledigen (verb), leeghalen (verb), legen (verb), afvoeren (verb), afscheiden (verb), lozen (verb), uitstoten (verb), uitscheiden (verb), uitwerpen (verb), opdrinken (verb), leegdrinken (verb), uitdrinken (verb), spuien (verb), uitwateren (verb), water lozen (verb), water afvoeren (verb), uitnemen (verb), plunderen (verb), uitpersen (verb), uitknijpen (verb), uitzuigen (verb), uitgieten (verb), leeggieten (verb) |
| temporary |
| voorlopig, tijdelijk, tussentijds, zolang, kortstondig, provisorisch, aards, voorbijgaand, temporeel, voor enige tijd, eindig, vergankelijk, plaatsvervangend, waarnemend, loco-, tijdelijke |
| perfunctory |
| eindig, vergankelijk, voorbijgaand, vluchtelings |
| cursory |
| eindig, vergankelijk, voorbijgaand, vluchtig, haastig, kortstondig, terloops, vluchtelings |
| null |
| eindig, vergankelijk, voorbijgaand, ongeldig, nietig |
| short |
| klein, ondermaats, van geringe afmeting, eindig, vergankelijk, voorbijgaand, kortaf, nors, bruusk, onzacht |
| informal |
| voorlopig, vrijblijvend, informeel, eindig, vergankelijk, voorbijgaand |
| perishing |
| eindig, vergankelijk, voorbijgaand |
| momentary |
| eindig, vergankelijk, voorbijgaand, momenteel, op dit ogenblik, momentele |
| inform |
| zeggen, informeren, bewust maken, kennisgeven van, melden, meedelen, berichten, rapporteren, verslag uitbrengen, waarschuwen, op de hoogte brengen, verwittigen, inlichten, tippen, van iets in kennis stellen, verkondigen, mening kenbaar maken, iets melden, voorlichten, onderrichten, aandienen, iets aankondigen |
| learn |
| vinden, ontdekken, tegenkomen, aantreffen, horen, vernemen, te horen krijgen, leren, opsteken, kennis opdoen, oppikken, meekrijgen, meepikken, verwerven, aanleren, eigen maken, studeren, blokken, instuderen, onderwijzen, bijbrengen, gewend raken, aanwennen, eigenmaken, inlichten, voorlichten, onderrichten, leerstof erin stampen, vossen, iets leren |
| teach |
| leren, onderwijzen, bijbrengen, inlichten, voorlichten, onderrichten, doceren, lesgeven, bijleren |
| train |
| leren, studeren, blokken, ontwikkelen, oefenen, trainen, harden, coachen, bekwamen, repeteren, africhten, dresseren, dier africhten, inlichten, voorlichten, onderrichten, onderwijzen, bijbrengen, doceren, opleiden, scholen, sleep (de ~ (m)), karavaan (de ~), treinstel (het ~) |
| explain |
| vertellen, zeggen, beschrijven, uiteenzetten, verhalen, mededelen, uitleggen, verduidelijken, ontvouwen, verklaren, toelichten, belichten, ophelderen, verhelderen, accentueren, opklaren, inlichten, voorlichten, onderrichten, duiden |
| instruct |
| voorschrijven, gebieden, gelasten, inlichten, voorlichten, onderrichten, opdracht geven, opdragen, instrueren, instructie geven, onderwijzen, bijbrengen, doceren, lesgeven |
| prepare |
| maken, scheppen, in het leven roepen, uitrusten, toerusten, zich uitrusten, voorbereiden, voorbereiding treffen, inlichten, voorlichten, onderrichten, inwerken, prepareren, voorbereiden op, onderwijzen, bijbrengen, doceren, klaarmaken, brouwen, iets toebereiden, gereed maken, voorbereidingen treffen, gereedmaken, voorbewerken, voorwerken |
| tip off |
| inseinen |