| wrong side |
| tegenkant (de ~) |
| again |
| weer, opnieuw, nogmaals, wederom, andermaal, alweer, nog eens , nog een keer |
| once again |
| weer, opnieuw, nogmaals, wederom, andermaal |
| since |
| omdat, daar, aangezien, vermits, vroeger, voorheen, eertijds, voormaals, sinds, sedert, vanaf het moment dat, immers, sindsdien, nadien, sinds die tijd |
| before |
| voor, daarvoor, ervoor, voordat, eer, alvorens, aleer, alvoor, vroeger, vorige, geweest, voorheen, voormalig, ex, vroegere, toenmalig, voormalige, gewezen, eertijds, voormaals, vooraf, van tevoren, vantevoren, vooraleer, overstaan, in aanwezigheid van |
| formerly |
| vroeger, vorige, geweest, voorheen, voormalig, ex, vroegere, toenmalig, voormalige, gewezen, eertijds, voormaals, voortijds, weleer |
| in bygone days |
| vroeger, voorheen, eertijds, voormaals, voortijds |
| previously |
| eerder, vroeger, voorheen, voordien, eertijds, voormaals, vooraf, van tevoren |
| return |
| terug, achteruit, achterwaarts, naar achter, naar achteren, rugwaarts, product (het ~), opbrengst (de ~ (f)), rendement (het ~), uitkomst (de ~ (f)), oogst (de ~ (m)), voortbrengsel (het ~), winst (de ~ (f)), baat (de ~), profijt (het ~), gewin (het ~), rentabiliteit (de ~ (f)), terugkomen (verb), terugkeren (verb), retourneren (verb), omkeren (verb), terugreis (de ~), terugkeer (de ~ (m)), terugbezorgen (verb), teruggaan (verb), wederkeren (verb), weerkeren (verb), terugbrengen (verb), teruggeven (verb), terugzenden (verb), weergave (de ~), teruggave (de ~), terugsturen (verb), dateren (verb), teruggrijpen (verb), thuiskomst (de ~ (f)), terugwerpen (verb), teruggooien (verb), terugkomst (de ~ (f)), tegenprestatie (de ~ (f)), wederdienst (de ~ (m)), contraprestatie (de ~ (f)), tegendienst (noun), return (de ~ (m)), terugwedstrijd (de ~ (m)) |
| second |
| helpen (verb), ondersteunen (verb), bijstaan (verb), assisteren (verb), bijspringen (verb), weldoen (verb), seconderen (verb), tweede, moment (het ~), tel (de ~ (m)), ogenblik (het ~), oogwenk (de ~ (m)), minuutje (noun) |
| backwards |
| terug, achteruit, achterwaarts, naar achter, naar achteren, rugwaarts, retour, ruggelings, achterover |
| rear side |
| achterkant (de ~ (m)), achterzijde (de ~) |
| back side |
| rug (de ~ (m)), leuning (de ~ (f)), rugleuning (de ~ (f)), rugzijde (de ~), achterstel (het ~) |
| back of a chair |
| rug (de ~ (m)), leuning (de ~ (f)), rugleuning (de ~ (f)), rugzijde (de ~) |
| reverse |
| terug (adj. / adv.), achteruit (adj. / adv.), achterwaarts (adj. / adv.), naar achter (adj. / adv.), naar achteren (adj. / adv.), rugwaarts (adj. / adv.), ongeluk (het ~), ramp (de ~), pech (de ~ (m)), tegenslag (de ~ (m)), moeilijkheden (de ~), ellende (de ~), terugslag (de ~ (m)), malheur (het ~), onheil (het ~), tegenspoed (de ~ (m)), rampspoed (de ~ (m)), onspoed , terugslagen (noun), omzetten (verb), verwisselen (verb), converteren (verb), omkeren (verb), iets omdraaien (verb), achterkant (de ~ (m)), achterzijde (de ~), intrekken (verb), terugnemen (verb), terugkomen op (verb), herroepen (verb), zijn woorden terugnemen (verb), tegendeel (adj. / adv.), keerzijde (de ~), onaangename zijde (noun), ommezijde (de ~), rugzijde (de ~), tegenovergestelde (noun), omgekeerde (noun) |
| hind |
| hinde (de ~ (f)), wijfje van het hert (noun) |
| attend |
| zien, horen, bekijken, voelen, merken, waarnemen, signaleren, observeren, gewaarworden, gadeslaan, helpen, ondersteunen, bijstaan, assisteren, bijspringen, weldoen, seconderen, verschijnen, opkomen, opduiken, opdagen, opletten, aandachtig luisteren, toeluisteren, bijwonen, aanwezig zijn |
| be attentive |
| helpen, ondersteunen, bijstaan, assisteren, bijspringen, weldoen, seconderen, behulpzaam zijn, gedienstig zijn |
| back up |
| helpen, ondersteunen, bijstaan, assisteren, bijspringen, weldoen, seconderen, instemmen, bijvallen, rugsteunen, gelijk geven |
| extend the hand |
| helpen, ondersteunen, bijstaan, assisteren, bijspringen, weldoen, seconderen, gerieven |
| aid |
| helpen, ondersteunen, bijstaan, assisteren, bijspringen, weldoen, seconderen, hulp (de ~), ondersteuning (de ~ (f)), bijstand (de ~ (m)), hulpverlening (de ~ (f)), assistentie (de ~ (f)), handreiking (de ~ (f)), hulpbetoon (het ~), support (het ~), dienstbetoon (het ~), handreiken, knecht (de ~ (m)), hulpje (het ~), hulpverlenen (noun) |
| assist |
| helpen, ondersteunen, bijstaan, assisteren, bijspringen, weldoen, seconderen, bijdragen, meehelpen, handreiken |
| do good |
| helpen, ondersteunen, bijstaan, assisteren, bijspringen, weldoen, seconderen |
| prop up |
| dragen, ondersteunen, stutten, schoren, schragen, helpen, bijstaan, assisteren, bijspringen, weldoen, seconderen |
| protect |
| behouden, beschermen, behoeden, in bescherming nemen, conserveren, instandhouden, afdekken, afschermen, beschutten, afschutten, bescherming bieden, verdedigen, opkomen voor, beveiligen, van alarm voorzien, vrijwaren |
| support |
| bevestigen, goedkeuren, bekrachtigen, bezegelen, homologeren, dragen, ondersteunen, stutten, schoren, schragen, onderhoud (het ~), kost (de ~ (m)), voedsel (de ~ (m)), onderhoudsgeld (noun), rugsteunen, dienst (de ~ (m)), gunst (de ~ (f)), onderhouden (adj. / adv.), behouden, in stand houden, financieel steunen, support (het ~), ondersteuning (de ~ (f)), houvast (de ~ (m)), bijstand (de ~ (m)), instemmen, bijvallen, opwekken, aanmoedigen, stimuleren, activeren, oppeppen, bezielen, aansporen, stimulans (de ~ (m)), aanmoediging (de ~ (f)), opwekking (de ~ (f)), aansporing (de ~ (f)), medewerking (de ~ (f)), assistentie (de ~ (f)), voet (de ~ (m)), poot (de ~ (m)), onderstel (het ~), staander (de ~ (m)), dienstbetoon (het ~), hulpbetoon (het ~), toejuichen, aanvuren, meehelpen, bijspringen, van mening zijn, voorstaan, sokkel (de ~ (m)), voetstuk (de ~), zuilvoet (noun), financieren, driepoot (de ~ (m)), aanhangen, met palen stutten, onderbouwing (de ~ (f)), steunbalk (de ~ (m)), schoorbalk (de ~ (m)), stutbalk (de ~ (m)), schuinse steunbalk (noun), schraagpijler (de ~ (m)) |
| finance |
| financieren |