| hit |
| succes (het ~), hit (de ~ (m)), bestseller (de ~ (m)), topper (de ~ (m)), kraker (de ~ (m)), klapper (de ~ (m)), treffer (de ~ (m)), succesnummer (de ~ (m)), schlager (de ~ (m)), successtuk (het ~), kasstuk (het ~), raken (verb), treffen (verb), beroeren (verb), ontroeren (verb), slaan (verb), een klap geven (verb), timmeren (verb), meppen (verb), hengsten (verb), hard slaan (verb), goal (de ~ (m)), doelpunt (het ~), botsing (de ~ (f)), aanrijding (de ~ (f)), collisie (de ~ (f)), getroffen, aangeschoten, schot in de roos (noun), raakschot (noun), geslagen |
| regard |
| betreffen, raken, aangaan, slaan op, beschouwen, overwegen, afwegen, overdenken, waardering (de ~ (f)), respect (het ~), achting (de ~ (f)), ontzag (het ~), eerbied (de ~ (m)), aanbidden, verheffen, verering (de ~ (f)), eerbiedigen, verheerlijking (de ~ (f)), hoogachting (de ~ (f)), eerbiediging (de ~ (f)) |
| relate to |
| betreffen, aangaan, slaan op |
| impress |
| beïnvloeden, raken, treffen, stempel (de ~ (m)), zegel (de ~ (m)), inktstempel (noun), indrukken, induwen, prenten, inprenten, op het hart drukken, bedrukken, opdrukken, overdrukken, inscherpen |
| influence |
| beïnvloeden, raken, treffen, invloed (de ~ (m)), macht (de ~), inwerking (de ~ (f)), beïnvloeding (de ~ (f)), invloed hebben |
| touch |
| betreffen, raken, aangaan, slaan op, contact (het ~), aanraking (de ~ (f)), voeling (de ~ (f)), voelen, aanraken, betasten, bevoelen, gevoel (het ~), sentiment (het ~), beroeren, ontroeren, zorg inboezemen, belang inboezemen, aanstippen, aanroeren, even aanraken, snufje (het ~), vleugje (het ~), waas (het ~), zweem (de ~ (m)), schijntje (het ~), flinter (de ~ (m)), floers (het ~), aangrijpen, toucheren, tikje (het ~), klopje (het ~), kleine tik (noun), toetsaanslag (de ~ (m)), zitten aan |
| concern |
| bedrijf (het ~), maatschappij (de ~ (f)), onderneming (de ~ (f)), firma (de ~), vennootschap (de ~ (f)), coöperatie (de ~ (f)), handelshuis (het ~), handelsbedrijf (het ~), zaak (de ~), concern (het ~), betreffen, raken, aangaan, slaan op, corporatie (de ~ (f)), handelsonderneming (de ~ (f)), handelsmaatschappij (de ~ (f)), handelsvereniging (de ~ (f)), handelsvennootschap (noun), zorg (de ~), verzorging (de ~ (f)), verpleging (de ~ (f)), bezorgdheid (de ~ (f)), kommer (de ~ (m)), ongerustheid (de ~ (f)), bekommernis (de ~ (f)), verontrusting (de ~ (f)), beroeren, ontroeren, zorg inboezemen, belang inboezemen |
| strike |
| opvallen, raken, treffen, beroeren, ontroeren, slaan, een klap geven, frapperen, aansteken, ontsteken, vuur maken, doen branden, grijpen, toeslaan, poetsen, wrijven, oppoetsen, opblinken, opwrijven, staking (de ~ (f)), staken, werkonderbreking (de ~ (f)), gestaak (noun), werkonderbreken, het werk neerleggen als protest, werkstaking (de ~ (f)), in staking gaan, in staking zijn, aanboren |
| move |
| gaan, lopen, stappen, zich voortbewegen, zich begeven, verhuizen, verplaatsen, verschuiven, verzetten, vervoeren, roeren, verleggen, disloqueren, verschikken, verrijden, raken, treffen, beroeren, ontroeren, in beweging brengen, zich verplaatsen, overplaatsen, standplaats veranderen, voor zich uitschuiven, schuivend verplaatsen, aangrijpen, schaakstukverplaatsing (noun), iets verplaatsen, zich bewegen, manoeuvre (de ~), schijngevecht (het ~), sciamachie (noun), spiegelgevecht (het ~), schijnkamp (noun), vertillen |