| available |
| beschikbaar, vacant, disponibel, verkrijgbaar, leverbaar, te koop, in de handel, in de handel verkrijgbaar, bestaande, beschikbare |
| at someone's disposal |
| beschikbaar, vacant, disponibel, vrij, in vrijheid, vanzelf, moeiteloos, zonder moeite, in een handomdraai, gulweg, ongestoord, vrijuit, ongehinderd, ongemoeid, onverstoord |
| uninhibited |
| beschikbaar, vacant, disponibel, vrijpostig, stoutmoedig, vrijmoedig, onbeschroomd, onbedeesd, niet beschroomd, ongeremd, niet terughoudend |
| vacant |
| beschikbaar, vacant, disponibel, leeg, wezenloos, uitdrukkingsloos, onbebouwd, onbewoond |
| easy |
| licht, makkelijk, eenvoudig, gemakkelijk, simpel, niet moeilijk, ongecompliceerd, vanzelf, moeiteloos, zonder moeite, in een handomdraai, langzaamaan, gerust, zorgeloos, onbezorgd, onbekommerd, onbesuisd, luchthartig |
| effortless |
| licht, makkelijk, eenvoudig, gemakkelijk, simpel, niet moeilijk, vanzelf, moeiteloos, zonder moeite, in een handomdraai |
| for free |
| gratis, kosteloos, voor niets, pro deo, zonder kosten |
| at liberty |
| beschikbaar, vacant, disponibel, vrij, in vrijheid |
| clear |
| over, uit, afgelopen, klaar, voorbij, gereed, voltooid, geëindigd, afgedaan, duidelijk, overduidelijk, flagrant, zo klaar als een klontje, zonneklaar, herkenbaar, onmiskenbaar, helder, begrijpelijk, aanschouwelijk, direct, regelrecht, recht door zee, inzichtelijk, bevattelijk, verhelderend, verstaanbaar, blij, vrolijk, wakker, levendig, monter, zonnig, lustig, opgewekt, opgeruimd, kleurig, opgetogen, uitgelaten, geestig, fleurig, blijmoedig, dartel, jolig, kwiek, fideel, welgemoed, blijgeestig, vrij, loos, zonder taak, onbewolkt, opruimen (verb), afdekken (verb), afruimen (verb), schoonmaken (verb), reinigen (verb), uitmesten (verb), uitruimen (verb), zuiveren (verb), schoonpoetsen (verb), uithalen (verb), leegmaken (verb), ledigen (verb), leeghalen (verb), bevrijden (verb), vrijmaken (verb), banen (verb), verlossen (verb), emanciperen (verb), vrijvechten (verb), legen (verb), blank, bleek, kleurloos, ongekleurd, transparant, doorzichtig, doorschijnend, klare, inklaren (verb), vrijspreken (verb), vrijpleiten (verb), dechargeren (verb), onschuldig verklaren (verb), uitverkopen (verb), duidelijk klinkend, helderklinkend, vrijspraak bepleiten (verb) |
| unconstrained |
| beschikbaar, vacant, disponibel, ongeldig, nietig |
| free |
| beschikbaar, vacant, disponibel, vrij, in vrijheid, gratis, kosteloos, voor niets, pro deo, zonder kosten, verlossen (verb), van last bevrijden (verb), vrijmaken (verb), banen (verb), emanciperen (verb), vrijvechten (verb), vanzelf, moeiteloos, zonder moeite, in een handomdraai, vrije (de ~) |
| liberate |
| loslaten, bevrijden, losmaken, vrijlaten, in vrijheid stellen, van de boeien ontdoen, verlossen, van last bevrijden |
| disengage |
| bevrijden, vrijmaken, banen, verlossen, emanciperen, vrijvechten |
| release |
| verzenden, ontslaan, wegsturen, uitsturen, ontheffen, wegzenden, uitgeven, lanceren, op de markt brengen, scheiden, detacheren, losmaken, loskrijgen, loswerken, loslaten, bevrijden, vrijlaten, in vrijheid stellen, van de boeien ontdoen, verlossing (de ~ (f)), zaligheid (de ~ (f)), openen, vrijgeven, openstellen, toegankelijk maken, verlossen, ontzetten, bevrijden van belegeraars, bevrijding (de ~ (f)), redding (de ~ (f)), ontzetting (de ~ (f)), vrijmaking (de ~ (f)), ontsnappen, vrijkomen, loskomen, zich bevrijden, oplaten, laten opstijgen, laten gaan, amnestie verlenen, invrijheidstellen, uitlaat (de ~ (m)), uitlaatpijp (de ~), vlampijp (de ~), van last bevrijden, vrijlating (de ~ (f)), loslating (de ~ (f)), kwijtschelding (de ~ (f)), afhelpen, losraken, invrijheidstelling (de ~ (f)) |
| set free |
| scheiden, detacheren, losmaken, loskrijgen, loswerken, loslaten, bevrijden, vrijlaten, in vrijheid stellen, van de boeien ontdoen, verlossen, ontzetten, bevrijden van belegeraars, laten gaan, niet vasthouden |