| Word | Synonym |
| uitdruipen | afdruppelen (werkwoord) |
| uitdrukkelijk | nadrukkelijk (bijv. naamw.) bepaald (bijv. naamw.) klemmend (bijv. naamw.) |
| uitdrukken | uitmaken (Werkwoord) aanduiden (werkwoord) doven (werkwoord) leegknijpen (werkwoord) uitknijpen (werkwoord) vermelden (werkwoord) uiteenzetten (werkwoord) verwoorden (werkwoord) vertolken (werkwoord) uiten (werkwoord) |
| uitdrukking | expressie (Zelfst. Naamw.) blik (zelfst. naamw.) gezegde (zelfst. naamw.) gezichtsuitdrukking (zelfst. naamw.) uiting (zelfst. naamw.) zegswijze (zelfst. naamw.) gelaatsuitdrukking (zelfst. naamw.) zin (zelfst. naamw.) fra (zelfst. naamw.) |
| uitdrukkingsloos | effen (bijv. naamw.) glazig (bijv. naamw.) leeg (bijv. naamw.) nietszeggend (bijv. naamw.) wazig (bijv. naamw.) wezenloos (bijv. naamw.) |
| uitdruppelen | uitlekken (werkwoord) uitdruipen (werkwoord) afdruppelen (werkwoord) afdruipen (werkwoord) sijpelen (werkwoord) druppen (werkwoord) druppelen (werkwoord) druipen (werkwoord) droppen (werkwoord) |
| uitduiden | aanwijzen (werkwoord) wijzen (werkwoord) vertonen (werkwoord) uitwijzen (werkwoord) tonen (werkwoord) tentoonspreiden (werkwoord) aangeven (werkwoord) aanduiden (werkwoord) |
| uitdunnen | ruimen (werkwoord) snoeien (werkwoord) wegkappen (werkwoord) |
| uiteen | vaneen (overig.) uitelkaar (overig.) |
| uiteenbarsten | ontploffen (werkwoord) |
| uiteengaan | scheiden (werkwoord) uitsplitsen (werkwoord) splitsen (werkwoord) loskoppelen (werkwoord) |
| uiteengegaan | ontbonden (bijv. naamw.) opgeheven (bijv. naamw.) uiteengevallen (bijv. naamw.) |
| uiteengerafeld | uitgeplozen (bijv. naamw.) |
| uiteengevallen | uiteengegaan (overig.) opgeheven (overig.) ontbonden (overig.) |
| uiteenhalen | splitsen (overig.) scheiden (overig.) |
| uiteenhouden | onderscheiden (werkwoord) |
| uiteenlopen | afwisselen (werkwoord) divergeren (werkwoord) gevarieerd (werkwoord) variëren (werkwoord) varierend (werkwoord) veranderen (werkwoord) verschillen (werkwoord) wisselen (werkwoord) schelen (werkwoord) |
| uiteenlopend | divers (bijv. naamw.) onderscheiden (bijv. naamw.) verdeeld (bijv. naamw.) verschillend (bijv. naamw.) ongelijksoortig (bijv. naamw.) |
| uiteenname | ontmanteling (overig.) demontage (overig.) |
| uiteenplaatsen | uiteenzetten (overig.) |
| uiteensplijten | klieven (werkwoord) kloven (werkwoord) splijten (werkwoord) splitsen (werkwoord) |
| uiteenspringen | barsten (werkwoord) |
| uiteenstuiven | uiteenvliegen (werkwoord) |
| uiteenval | dissociatie (zelfst. naamw.) |
| uiteenvallen | desintegreren (werkwoord) verbrokkelen (werkwoord) |
| uiteenvliegen | uiteenstuiven (overig.) |
| uiteenvouwen | ontplooien (werkwoord) |
| uiteenzetten | expliceren (werkwoord) uitleggen (werkwoord) vertellen (werkwoord) ontvouwen (werkwoord) vermelden (werkwoord) uitdrukken (werkwoord) uiteenplaatsen (werkwoord) verduidelijken (werkwoord) toelichten (werkwoord) naverklaren (werkwoord) zeggen (werkwoord) verhalen (werkwoord) mededelen (werkwoord) beschrijven (werkwoord) |
| uiteenzetting | analyse (zelfst. naamw.) beschouwing (zelfst. naamw.) betoog (zelfst. naamw.) exposé (zelfst. naamw.) verduidelijking (zelfst. naamw.) verhandeling (zelfst. naamw.) vermelding (zelfst. naamw.) inhoud (zelfst. naamw.) verklaring (zelfst. naamw.) uitleg (zelfst. naamw.) toelichting (zelfst. naamw.) opheldering (zelfst. naamw.) |
| uiteinde | afloop (zelfst. naamw.) nok (zelfst. naamw.) |
| uiteindelijk | ultiem (bijv. naamw.) toch (overig.) tenslotte (overig.) |
| uitelkaar | vaneen (overig.) uiteen (overig.) |
| uiten | manifesteren (werkwoord) opperen (werkwoord) spuien (werkwoord) verwoorden (werkwoord) vertolken (werkwoord) uitdrukken (werkwoord) verkondigen (werkwoord) |
| uiteraard | natuurlijk (Bijwoord) allicht (bijv. naamw.) bijgevolg (bijv. naamw.) dus (bijv. naamw.) logisch (bijv. naamw.) vanzelfsprekend (bijv. naamw.) zeker (bijv. naamw.) zontwijfel (bijv. naamw.) onontkomelijk (bijv. naamw.) |